Citaat | Rechtbank Amsterdam 14 november 2012
Alinea 44 Rechtbank Amsterdam 14 november 2012
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 14 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY3391.
3.4. Gelet op de laatste volzin van artikel 2.141, eerste lid van de Mediawet, ligt, anders dan zij heeft gesteld, op eiseres de bewijslast om aan te tonen dat zij niet dienstbaar is geweest aan het maken van winst door de Efteling. Hiervoor vindt de rechtbank steun in de uitspraken van de Afdeling van 22 december 2010 (LJN: BO8329) en van 21 augustus 1997 (LJN: AN5637). In die laatste uitspraak heeft de Afdeling bovendien geoordeeld dat het op opvallende wijze en niet in negatieve zin onder de aandacht brengen van een artikel en/of dienst reeds een verkoopbevorderend effect heeft. Het is dan ook niet aan verweerder om te bewijzen dat het verkoopbevorderende effect daadwerkelijk is opgetreden ten aanzien van het onder de aandacht van het publiek gebrachte artikel of merk. Verweerder heeft met het aannemelijk maken van een gegrond vermoeden van dienstbaarheid voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het ligt op de weg van eiseres te staven dat dit vermoeden onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. Reeds hierom is sprake van overtreding van het dienstbaarheidsverbod.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2dd2e8cb0ad796c9aa908c3ea5b40b781f360fc0fa786b6da1e5935358fdd992. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2dd2e8cb0ad796c9aa908c3ea5b40b781f360fc0fa786b6da1e5935358fdd992, en de alinea staat in dat document op bytes 18636 tot 19771.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2dd2e8cb0ad796c9aa908c3ea5b40b781f360fc0fa786b6da1e5935358fdd992 | shasum -a 256