Citaat | Rechtbank Amsterdam 20 september 2012

Alinea 96 Rechtbank Amsterdam 20 september 2012

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 20 september 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY3871.

Voorts heeft getuige [F] ten overstaan van de politie verklaard dat hij op 14 februari 2010 heeft gezien dat [X] en [D] (de rechtbank begrijpt: [D]) op [benadeelde B] aan het inslaan en schoppen waren. Hierdoor viel zij op de grond. Hij heeft [D] en [X] zien wegrennen met de tas van [benadeelde B].vii Dat getuige [F] op 11 november 2010 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij bij de politie weliswaar de namen van [X] en [D] had genoemd maar dat hij niet wist wie de daders waren en dat hij had aangenomen dat dit [X] en [D] waren omdat hij van de politie had gehoord dat deze twee personen op dat moment vastzaten, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Temeer niet nu de moeder van aangeefster heeft verklaard dat zij, nadat zij met haar dochter aangifte had gedaan, bij terugkomst van haar andere dochter te horen kreeg dat getuige [F] die middag aan de deur was geweest en had verteld dat hij de daders wel kendeviii. Voorts heeft getuige [E] verklaard dat [F] hem had verteld dat de daders [D] en [X1] of [X2] heten.ix

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7dc1676a4d0267f66557ce2e3b2639394705b828eddc37d7175d7bb41ce3b43f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7dc1676a4d0267f66557ce2e3b2639394705b828eddc37d7175d7bb41ce3b43f, en de alinea staat in dat document op bytes 27748 tot 28797.