Citaat | Rechtbank Amsterdam 26 juni 2013

Onder 3.3.3. Rechtbank Amsterdam 26 juni 2013

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 26 juni 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:3807.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij vertragingsschade heeft geleden. Eiseres heeft, gelet op de ter zitting gegeven nadere toelichting, het standpunt ingenomen dat haar schade bestaat uit het gedurende een zekere periode mislopen van een vermogensbestanddeel. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat een perceel grond terzake waarvan een bouwvergunning is verleend een hogere waarde vertegenwoordigt dan een perceel zonder vergunning. De bouwvergunning voor de onderhavige drie percelen is op een later moment verleend dan het geval zou zijn geweest indien verweerder direct de juiste weigeringsgrond had gehanteerd. Daaruit volgt reeds dat eiseres vermogensschade heeft geleden door verweerders onrechtmatige besluitvorming. Verweerder heeft, gelet op het voornoemde uitgangspunt, de bewijslast voor de stelling dat de bouwvergunning geen meerwaarde vertegenwoordigt omdat er geen koper, huurder of exploitant is voor het project. Verweerder heeft die stelling echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Dat het plan een dusdanige verwevenheid heeft met een ander bouwplan dat niet is doorgegaan, te weten de bouw van een hotel in de directe omgeving, zodat om die reden de bouwvergunning geen waarde heeft, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt. Er waren juist twee afzonderlijke bouwplannen en er zijn ook twee afzonderlijke bouwvergunningen aangevraagd. Deze omstandigheden wijzen er eerder op dat de plannen niet dusdanig verweven waren. Dat het vergunde bouwplan geen extra waarde vertegenwoordigde ten opzichte van de grond, omdat er planologische ontwikkelingen hebben plaatsgevonden met betrekking tot het perceel, heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt. De stelling dat er ontwikkelingen waren die ertoe zouden kunnen leiden dat het bouwplan uiteindelijk in strijd met het nieuwe bestemmingsplan zou zijn, is daartoe onvoldoende. Dit betekent immers niet dat realisatie dan wel exploitatie van het – vergunde – bouwplan niet mogelijk zou zijn geweest. Bovendien heeft de wijziging van het bestemmingsplan er uiteindelijk toe geleid dat – in een onteigeningprocedure – eiseres een onteigeningsvergoeding heeft ontvangen, waarvan aannemelijk is dat die hoger is juist door de omstandigheid dat de bouwvergunning is verleend. De stelling van verweerder dat eiseres nimmer het voornemen heeft gehad tot realisatie van het bouwplan, leidt ook niet tot de conclusie dat er geen schade is. Niet aannemelijk is dat een dergelijk voornemen niet bestond, gelet op de bouwplannen, de bouwtekeningen, de offerte van de architect, de aanvraag van de bouwvergunning en de daarop volgende procedure over de rechtmatigheid van de weigering van de bouwvergunning. De omstandigheid dat er nog geen aanbesteding had plaatsgevonden, er nog geen bestekteksten en dergelijke bestonden, er nog geen projectplanning was en meer van dergelijke voorbereidende bouwhandelingen nog niet waren verricht, leiden niet tot de conclusie dat een voornemen tot bouwen nimmer heeft bestaan. De stelling van verweerder dat de vergunning uitsluitend is aangevraagd met het oog op andere doeleinden dan bouwen, heeft hij tenslotte naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ff4a5333bff35e5431e035f802fe76fd078b4630bd0e68d172437406fa3653f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ff4a5333bff35e5431e035f802fe76fd078b4630bd0e68d172437406fa3653f, en de alinea staat in dat document op bytes 24488 tot 27753.