Citaat | Rechtbank Amsterdam 2 april 2013

Onder 3 Rechtbank Amsterdam 2 april 2013

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 2 april 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:3967.

De raadsman heeft betoogd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard, nu de redelijke termijn waarbinnen de zaak behandeld dient te worden, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, is overschreden. Het heeft veel te lang geduurd voordat verdachte is gedagvaard. Het pedagogisch effect van de vervolging is in het bijzonder bij minderjarigen van belang, zodat er sprake moet zijn van een lik op stuk beleid. Verdachte dacht dat de zaak afgelopen was omdat ze zolang niets hoorde. Op 8 maart 2012 zijn de aangeefster en een getuige gehoord, nadat de raadsman aan de bel heeft getrokken waarom de zaak zo lang duurde. Pas meer dan een jaar na de getuigenverhoren is de zaak op zitting gekomen. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een dergelijke overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Het belang van verdachte moet prevaleren bij het belang dat het openbaar ministerie heeft om de zaak te vervolgen. Verdachte heeft geen strafbare feiten gepleegd na het onderhavige feit.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d33d3facf57f2a118ae658fcae06a5ba8a7494defff455e5bfc46477caf718b2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d33d3facf57f2a118ae658fcae06a5ba8a7494defff455e5bfc46477caf718b2, en de alinea staat in dat document op bytes 10575 tot 11638.