Citaat | Rechtbank Amsterdam 2 april 2013

Onder 3 Rechtbank Amsterdam 2 april 2013

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 2 april 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:3967.

De officier van justitie stelt voorop dat ook zij van mening is dat er sprake is van een enorm tijdsverloop. Dat laat onverlet dat de Hoge Raad in het arrest van 17 juni 2008 het standpunt heeft ingenomen dat overschrijding van de redelijke termijn, ook in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen wordt toegepast, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De officier van justitie stelt dat zij bij het bepalen van haar eis rekening zal houden met het tijdsverloop. De officier van justitie verwijst voorts naar een arrest van het gerechtshof Amsterdam met parketnummer 23-004346-10 van 30 juni 2011 waarin de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt bevestigd. Dat in lagere rechtspraak, waaronder die van de Rechtbank Amsterdam, nadien het openbaar ministerie niet ontvankelijk is verklaard in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen van toepassing was, doet daaraan niet af. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat overschrijding van de redelijke termijn dient te worden verdisconteerd in de strafmaat. Zij wijst in dit verband ook op het belang van het slachtoffer, die er wel degelijk belang bij heeft dat deze zaak inhoudelijk behandeld wordt. De raadsman had om beëindiging van de zaak kunnen verzoeken. Hij heeft hiervoor niet gekozen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d33d3facf57f2a118ae658fcae06a5ba8a7494defff455e5bfc46477caf718b2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d33d3facf57f2a118ae658fcae06a5ba8a7494defff455e5bfc46477caf718b2, en de alinea staat in dat document op bytes 11808 tot 13109.