Citaat | Rechtbank Amsterdam 7 oktober 2013

Onder 20.1 Rechtbank Amsterdam 7 oktober 2013

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 7 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6632.

Uit het voorgaande volgt dat het openbaar ministerie, als orgaan van de Nederlandse overheid, zowel op grond van het internationale recht als op grond van het nationale beleid, de verplichting heeft om een strafvervolging tegen een minderjarige voortvarend ter hand te nemen. De rechtbank constateert dat het openbaar ministerie deze voortvarendheid niet in alle strafzaken minderjarige verdachten betreffend, aan de dag legt. Met enige regelmaat vindt er een enorme vertraging in de strafvervolging plaats. Ook de onderhavige zaak is hier een voorbeeld van. Dit is, mede gelet op het pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht, niet alleen niet in het belang van de betreffende minderjarige maar evenmin in het belang van de samenleving als geheel. Indien een minderjarige normafwijkend gedrag vertoont, in de zin van het plegen van strafbare feiten, eist de samenleving dat zulk gedrag zo spoedig mogelijk wordt bijgestuurd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f4e5fee6a98802646022d18929c7a4968cee849da20ee8af97bc241ea17dc046. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f4e5fee6a98802646022d18929c7a4968cee849da20ee8af97bc241ea17dc046, en de alinea staat in dat document op bytes 36261 tot 37266.