Citaat | Rechtbank Amsterdam 29 januari 2013

Alinea 145 Rechtbank Amsterdam 29 januari 2013

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 29 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BY9841.

Volgens de minister zou voldoende zijn dat hiervan melding werd gemaakt in een proces-verbaal, zodat de toezegging voor de verdediging en de rechtbank kenbaar zou zijn. Van onrechtmatigheid zou in het algemeen geen sprake kunnen zijn zolang de officier van justitie binnen de grenzen van zijn ruim omschreven bevoegdheden was gebleven. Volgens de minister moest de figuur van de overeenkomst met een criminele getuige wettelijk worden geregeld en moest ook de mogelijkheid tot toezegging van verlaging van de strafeis wettelijk worden vastgelegd omdat hier rechtstreeks werd geraakt aan de door de rechter op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissingen. Ten aanzien van overige, reeds bestaande bevoegdheden diende bij Aanwijzing te worden bepaald of die wel of niet konden worden ingezet om met een getuige tot overeenstemming te komen. Toezeggingen zonder enige wettelijke grondslag zouden niet kunnen worden gedaan. De minister kondigde een verruiming van de Aanwijzing aan en merkte op dat hij daarbij een opvatting van de Eerste Kamer over de reikwijdte van eventuele verruiming bij de herziening van de Aanwijzing zou laten meewegen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/686fa1df2d6defb5e80b6d0f2b1841c08b9e590dd087fa5ff28f6c9b6850c0de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 686fa1df2d6defb5e80b6d0f2b1841c08b9e590dd087fa5ff28f6c9b6850c0de, en de alinea staat in dat document op bytes 52702 tot 53869.