Citaat | Rechtbank Amsterdam 29 januari 2013

Alinea 77 Rechtbank Amsterdam 29 januari 2013

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 29 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BY9841.

De verdediging betwijfelt of de jurisprudentie van de Hoge Raad waarbij de werkingssfeer van artikel 359a Sv wordt beperkt tot normschendingen tijdens het voorbereidend onderzoek, wel kan worden toegepast op zaken waarin na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting nog een grote hoeveelheid opsporingshandelingen heeft plaatsgevonden. De werking van artikel 359a Sv. zou zich ook moeten uitstrekken tot die latere opsporingshandelingen. Verder meent de verdediging dat het zogenaamde Zwolsmancriterium een zelfstandige betekenis heeft buiten de werkingssfeer van artikel 359a Sv. Wanneer door activiteiten van opsporingsambtenaren en officieren van justitie na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan, zou het openbaar ministerie niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard wegens een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Verder kent het Nederlandse recht in de visie van de verdediging nog steeds de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie buiten het Zwolsmancriterium om door relativering van de Schutznorm (zie hieronder).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/686fa1df2d6defb5e80b6d0f2b1841c08b9e590dd087fa5ff28f6c9b6850c0de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 686fa1df2d6defb5e80b6d0f2b1841c08b9e590dd087fa5ff28f6c9b6850c0de, en de alinea staat in dat document op bytes 19352 tot 20590.