Citaat | Rechtbank Amsterdam 18 maart 2014

Onder 4.4. Rechtbank Amsterdam 18 maart 2014

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 18 maart 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1920.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag toch aan de Hoge Raad moet worden voorgelegd. Dat lijkt het meest effectief. De Hoge Raad kan dan beoordelen of het nodig is om een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJ EU. De lidstaten van de Europese Unie hebben bovendien zeer gevarieerde staatsinrichtingen en rechtsstelsels. Indien een prejudiciële vraag aan het HvJ EU zal worden gesteld is het zeer wel denkbaar dat het antwoord van het HvJ EU op de vraag in zodanig algemene bewoordingen zal zijn geformuleerd dat de Nederlandse rechter op basis daarvan tot een nadere concrete beoordeling zal moeten komen ten aanzien van de procedure bij het UWV ex artikel 6 BBA. De rechtseenheid en rechtszekerheid zijn ermee gediend wanneer de Hoe Raad in dat geval die beoordeling zal doen. Daarom acht de voorzieningenrechter het het meest aangewezen om de vraag aan de Hoge Raad voor te leggen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/79988bca652382a799169031eec6cc6dd482d9b8c2770245e0826bbd5ee1c647. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 79988bca652382a799169031eec6cc6dd482d9b8c2770245e0826bbd5ee1c647, en de alinea staat in dat document op bytes 22779 tot 23694.