Citaat | Rechtbank Amsterdam 16 april 2014

Onder 4.19. Rechtbank Amsterdam 16 april 2014

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 16 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:2292.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de wet in artikel 2:345 BW een discretionaire bevoegdheid toekent aan de advocaat-generaal bij het hof Amsterdam om al dan niet een enquête te verzoeken. De Staat heeft onbetwist gesteld dat het doen van een enquêteverzoek, en daaraan voorafgaand het kenbaar maken van bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken aan het bestuur van de betrokken vennootschappen, de strafrechtelijke handhaving (de kerntaak van het OM) zou hebben belemmerd dan wel gefrustreerd. Voorts hebben de Stichting c.s., tegenover de gemotiveerde betwisting door de Staat, volstrekt onvoldoende onderbouwd dat het OM direct na 27 februari 2007 over voldoende gegevens beschikte om een enquêteverzoek te kunnen indienen dat ontvankelijk zou zijn geweest. Evenmin hebben de Stichting c.s. voldoende gesteld om te kunnen oordelen dat, indien een enquêteverzoek al ontvankelijk zou zijn geweest, dit zou hebben geleid tot een onderzoek of tot voorlopige voorzieningen, waardoor de oplichting zou zijn beëindigd en de schade van de (achterban van de) Stichting c.s. zou zijn beperkt of voorkomen. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de keuze van het OM om geen gebruik te maken van haar enquêtebevoegdheid niet onrechtmatig is jegens de (achterban van de) Stichting c.s.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5eb8940e0a6227424eb58b6bae9d3d8a0d2c7334b8004747cd49360ff44ebe1a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5eb8940e0a6227424eb58b6bae9d3d8a0d2c7334b8004747cd49360ff44ebe1a, en de alinea staat in dat document op bytes 104143 tot 105467.