Citaat | Rechtbank Amsterdam 4 juni 2014

Onder 2.23. Rechtbank Amsterdam 4 juni 2014

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 4 juni 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:3190.

Akzo c.s. brengen hiertegen in dat dergelijke bedingen naar toepasselijk recht geacht worden te strekken tot beslechting van alle geschillen tussen partijen in verband met de overeenkomsten, ongeacht de rechtsgrond (overeenkomst, onrechtmatige daad, bedrog) of de strekking (hoofdelijke verbondenheid) van de vordering, met inbegrip van geschillen waaraan partijen bij het aangaan van het beding niet hebben gedacht of waarop zij op dat tijdstip niet bedacht behoefden te zijn. Dergelijke bedingen hebben in Zweden, Finland en Noorwegen een zeer ruime strekking en zijn ook bedoeld voor geschillen die indirect ('more vaguely') verband houden met de zaken die partijen met elkaar hebben gedaan, aldus Akzo c.s. De door Akzo c.s. overgelegde rechtsgeleerde opinies over het toepasselijke Zweedse, Finse en Noorse recht bevestigen het standpunt van Akzo c.s. Akzo c.s. verbinden echter, naar het oordeel van de rechtbank voorshands, ten onrechte aan dit standpunt de conclusie dat de rechtbank onbevoegd is van de vorderingen van CDC kennis te nemen. CDC maakt Akzo c.s. immers een verwijt van marktvervalsing, zoals hiervoor geschetst, dat naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet in verband staat met de overeenkomsten of de daaruit voortvloeiende leveringen. Volgens de genoemde rechtsgeleerde opinies geldt dat alleen geschillen die (indirect) in verband staan met een bepaalde overeenkomst, waarin het beding is opgenomen, aan het gekozen forum dan wel arbitrage worden onderworpen. Akzo c.s. hebben voorshands onvoldoende ingebracht tegen de stellingen van CDC dat de afnemers die bij Eka en Kemira natriumchloraat hebben gekocht, indien zij dit niet bij Eka of Kemira zouden hebben gekocht, hetzelfde product tegen dezelfde prijs (de algemeen geldende, door de marktvervalsing bepaalde marktprijs destijds) zouden hebben gekocht bij een andere leverancier en dat hun schade, waarvan zij thans van Akzo c.s. vergoeding vorderen, ook de schade behelst die zij hebben geleden doordat zij bij andere leveranciers (ook buiten het kartel) gedurende de instandhouding van het kartel steeds een te hoge prijs hebben betaald. Uit de voorshands voldoende onderbouwde toelichting van CDC is af te leiden dat onder deze omstandigheden de identiteit van de verkoper/leverancier onbelangrijk is, evenals ingeval van ter beurze verhandelde goederen. Het argument van Akzo c.s., dat de vorderingen van CDC (in feite: de afnemers) in de hoofdzaak, direct of indirect, verband houden met de met de afnemers overeengekomen leveringen (alleen al omdat de afnemers zonder de leveringsrelaties geen afnemer zouden zijn), baat hen dan ook voorshands niet. Ook het beroep van Akzo c.s. op een uitspraak van Zweedse Hoge Raad (NJA 2008, s 120) is tegen deze achtergrond ongegrond. Het oordeel van de rechtbank op dit punt zou anders kunnen luiden indien voldoende zou zijn toegelicht dat de leveringscontracten bij de beoordeling in de hoofdzaak van wezenlijk belang zouden zijn, maar een dergelijke toelichting is niet aangereikt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/18b162e2948ca05ae99b97d6a670853a7327338af2106018e3c769b1b406a835. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 18b162e2948ca05ae99b97d6a670853a7327338af2106018e3c769b1b406a835, en de alinea staat in dat document op bytes 33620 tot 36652.