Citaat | Rechtbank Amsterdam 16 januari 2014

Onder 3.2. Rechtbank Amsterdam 16 januari 2014

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 16 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:571.

Op artikel 3 Wte (oud) – zoals onder 4 ten laste gelegd – stond een gevangenisstraf gesteld van twee jaar. In dat geval vervalt het recht tot strafvervolging na zes jaren, tenzij sprake is van een daad van vervolging die de verjaring stuit. Dit betreft een daad die erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen, waardoor een nieuwe verjaringstermijn aanvangt. In de onderhavige zaak is de eerste daad van vervolging de vordering van de officier van justitie van 1 april 2009 tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5825). Gelet hierop zijn de officieren van justitie ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde voor wat de periode van 19 maart 2003 tot 1 april 2003 betreft niet-ontvankelijk in hun vordering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/904b477b9cbdd9878302de64f6f0face2bf4812eff4c250e67dfbdb102586e9a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 904b477b9cbdd9878302de64f6f0face2bf4812eff4c250e67dfbdb102586e9a, en de alinea staat in dat document op bytes 12938 tot 13774.