Citaat | Rechtbank Amsterdam 29 januari 2014

Onder 4.3. Rechtbank Amsterdam 29 januari 2014

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 29 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:781.

Het voorgaande betekent dat [gedaagde] zich in beginsel erop kan beroepen dat de handtekening en daarmede de in de kredietovereenkomst vervatte verklaring niet van haar afkomstig is, ook wanneer De IJssel heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat de handtekening echt was. Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de artikelenart. 3:35 3:35, 3:363:36 en 3:61 lid 23:61, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in samenhang met art. 6:147 BW, vloeit evenwel voort, zoals door De IJssel aangevoerd, dat dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn. Deze omstandigheden moeten dan wel van dien aard zijn dat zij tot de slotsom nopen dat aan degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer degene wiens handtekening is vervalst, eraan heeft meegewerkt of zonder voorzorgsmaatregelen te treffen heeft toegelaten dat deze de mogelijkheid kreeg door het vervalsen van zijn handtekening jegens de wederpartij de schijn te wekken dat het een door hem ondertekende verklaring betrof (zie HR 7 februari 1992, NJ 1992, 809).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/edc674facd235d9515ee661dcd604150f8777180e78b8742d8120a209c384fd9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt edc674facd235d9515ee661dcd604150f8777180e78b8742d8120a209c384fd9, en de alinea staat in dat document op bytes 19697 tot 20899.