Citaat | Rechtbank Amsterdam 29 januari 2014
Onder 4.4. Rechtbank Amsterdam 29 januari 2014
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 29 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:781.
Naar het oordeel van de rechtbank doet die situatie zich hier voor. Veronderstellende wijs aannemende dat de handtekening onder de kredietovereenkomst niet van [gedaagde] afkomstig is, maar is vervalst door haar vader, dan nog kan en moet op grond van de stukken en het verhandelde ter comparitie wel worden aangenomen dat [gedaagde] vooraf van de gang van zaken op de hoogte is geweest en dat zij ook zelf aan de totstandkoming van de kredietovereenkomst heeft meegewerkt. Door haar vader is immers ter comparitie verklaard – hetgeen niet door [gedaagde] is betwist - dat hij aan [gedaagde] het voorstel had gedaan om op haar naam het geld te lenen. Daarnaast blijkt uit de aan de kredietovereenkomst gehechte stukken, dat [gedaagde] haar vader voor de totstandkoming van de kredietovereenkomst de beschikking heeft gegeven over een recente loonstrook en haar paspoort. Verder heeft mr. Van den Bergh namens [gedaagde] ter comparitie verklaard dat zij ook haar pinpas en pincode aan haar vader ter beschikking had gesteld. [gedaagde] heeft voorts geen vragen aan De IJssel gesteld toen zij na het sluiten van de kredietovereenkomst een kopie daarvan ontving, evenmin toen zij het geld van De IJssel op haar bankrekening gestort kreeg. Daarnaast is door De IJssel onbetwist gesteld dat nadien vanaf de bankrekening van [gedaagde] bedragen in mindering op de schuld zijn betaald. Ook met het betalen van deze bedragen, dan wel toe te laten dat vanaf haar bankrekening bedragen aan De IJssel werden voldaan, heeft [gedaagde] bij De IJssel de schijn gewekt dat zij degene was die de handtekening onder de kredietovereenkomst had gezet. Dat De IJssel het vertrouwen heeft gehad dat de handtekening onder de kredietovereenkomst echt was en dat de wilsverklaring onder de kredietovereenkomst van [gedaagde] afkomstig was, is daarmee niet uitsluitend gebaseerd geweest op de handtekening onder de kredietovereenkomst, waarvan [gedaagde] stelt dat die is vervalst, maar ook op voormelde handelingen van [gedaagde] zelf, dan wel het nalaten daarvan, zodat het bij De IJssel gewekte vertrouwen ook aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank brengen deze omstandigheden in het onderhavige geval mee dat [gedaagde] zich ten opzichte van De IJssel thans niet kan beroepen op de (gestelde) vervalste handtekening en dat de wilsverklaring onder de kredietovereenkomst niet van haar afkomstig is. Geoordeeld wordt daarom dat [gedaagde] als de contractspartij van De IJssel moet worden beschouwd en op goede gronden tot betaling is aangesproken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/edc674facd235d9515ee661dcd604150f8777180e78b8742d8120a209c384fd9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt edc674facd235d9515ee661dcd604150f8777180e78b8742d8120a209c384fd9, en de alinea staat in dat document op bytes 20979 tot 23558.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/edc674facd235d9515ee661dcd604150f8777180e78b8742d8120a209c384fd9 | shasum -a 256