Citaat | Rechtbank Amsterdam 19 februari 2015
Onder 5.10. Rechtbank Amsterdam 19 februari 2015
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 19 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:1476.
Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde]. De door (de gemachtigde van) [gedaagde] genoemde geschilpunten waarop nog een oordeel van de Hoge Raad wordt verwacht zijn, voor zover de Hoge Raad daarover niet reeds heeft beslist in bovengenoemde arresten, niet van dien aard dat er aanleiding bestaat om alle zaken waarin zij voorkomen aan te houden. Gelet op de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken immers vast dat Dexia een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade (waarvoor Dexia in beginsel aansprakelijk is) bestaat uit zowel de betaalde termijnen als de restschuld, en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat een oordeel van de Hoge Raad (voor zover niet reeds gegeven) over de gevolgen van het niet bezitten van een publiekrechtelijke vergunning door een tussenpersoon gevolgen zal hebben voor de mate van eigen schuld van de afnemer is niet onderbouwd. Dit ligt evenmin voor de hand, omdat dit geen wijziging brengt in hetgeen de afnemer had kunnen en behoren te weten en nimmer is gesteld dat de afnemer bepaald onderzoek heeft nagelaten omdat hij er van uit ging dat de tussenpersoon wel zou beschikken over de betreffende vergunning. Daarnaast wordt volgens (de gemachtigde van) [gedaagde] eveneens een oordeel gevraagd over stellingen die er op neerkomen dat Dexia bepaalde verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. De omvang van de schade is echter gegeven, deze wordt niet beïnvloed door de vraag of die schade door onrechtmatig handelen of door een toerekenbare tekortkoming is veroorzaakt. Ook ten aanzien van dit punt valt niet in te zien waarom dit van invloed zou zijn op de mate van eigen schuld van de afnemer. De thans gestelde prejudiciële vragen betreffende de ingangsdatum van de wettelijke rente belemmeren niet een beslissing op dat punt in de onderhavige procedure, zoals in de afgelopen tien jaar in duizenden soortgelijke zaken ook is gebleken. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is vormt evenmin een belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6a72dcc3c4eb60e6a0d58369a185bfc7e541c03b94e48cc02af78f5737b9e039. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6a72dcc3c4eb60e6a0d58369a185bfc7e541c03b94e48cc02af78f5737b9e039, en de alinea staat in dat document op bytes 23714 tot 26251.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6a72dcc3c4eb60e6a0d58369a185bfc7e541c03b94e48cc02af78f5737b9e039 | shasum -a 256