Citaat | Rechtbank Amsterdam 20 april 2015
Onder 4.5.1 Rechtbank Amsterdam 20 april 2015
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 20 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2280.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat [slachtoffer 1] op 13 juni 2011 is overleden. Zijn stoffelijk overschot is op 17 juni 2011 in het water aangetroffen niet ver van de plek waar hij op 13 juni 2011 in het water is geraakt. De schouwarts heeft geconcludeerd tot een niet natuurlijke dood, waarbij zij schatte dat [slachtoffer 1] 4 dagen dood was. Het scenario van de verdediging dat [slachtoffer 1] op 13 juni 2011 weer levend uit het water kan zijn gekomen en naar huis kan zijn gegaan, waarna hij vervolgens op een later moment opnieuw rond dezelfde locatie in de Weespertrekvaart kan zijn geraakt en kan zijn komen te overlijden, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Uit de getuigenverklaringen waarnaar de raadsman verwijst, blijkt ook niet dat getuigen [slachtoffer 1] na 13 juni 2011 nog levend hebben gezien. Getuige [broer 2 van slachtoffer] noemt weliswaar 14 juni 2011 als datum waarop hij zijn broer voor het laatst heeft gezien, maar uit zijn verklaring blijkt duidelijk dat hij 13 juni 2011 bedoelt. Hij verklaart immers dat hij [slachtoffer 1] voor het laatst bij zijn moeder thuis heeft gezien de dag nadat [slachtoffer 1] met de familie was gaan vissen. [slachtoffer 1] kwam toen zijn zonnebril ophalen. Uit de verklaringen van andere getuigen, onder wie de moeder van [slachtoffer 1] , blijkt dat de familie op 12 juni 2011 is gaan vissen en dat [slachtoffer 1] de volgende dag, dus 13 juni 2011, rond het middaguur zijn zonnebril heeft opgehaald bij zijn moeder. Uit de verklaring van [broer 3 van slachtoffer] , broer van het slachtoffer, leidt de rechtbank af dat hij niet meer precies weet op welke datum hij zijn broer voor het laatst heeft gezien. Hij noemt namelijk dagen van de week en data die niet bij elkaar passen. Zo verklaart hij op maandag 18 juni 2011 naar Suriname te zijn vertrokken en de zaterdag daarvoor zijn broer voor het laatst te hebben gezien. Het is dus zeer goed mogelijk dat hij maandag 13 juni 2011 en zaterdag 11 juni 2011 bedoelt. Getuige [getuige 3] verklaart niet meer te weten of hij [slachtoffer 1] op maandag 13 juni of dinsdag 14 juni 2011 voor het laatst heeft gezien. De verklaring van [broer 1 van slachtoffer] dat zijn broer 2 á 3 dagen voordat zijn stoffelijk overschot werd gevonden hem heeft gebeld in Suriname, past bij de bevindingen van het historisch telefoonverkeer waaruit blijkt dat er op 13 juni 2011 om 17.08 vanaf het mobiele nummer van het slachtoffer 47 seconden is uitgebeld naar het Surinaamse telefoonnummer van [broer 1 van slachtoffer]. Uit deze verklaring kan derhalve evenmin de conclusie worden getrokken dat [slachtoffer 1] na 13 juni 2011 nog heeft geleefd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5a3854bfd66b2e9a71369dd4bdfb5f9919905982ea46b3acaf1b5ecf989f6906. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5a3854bfd66b2e9a71369dd4bdfb5f9919905982ea46b3acaf1b5ecf989f6906, en de alinea staat in dat document op bytes 21835 tot 25106.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5a3854bfd66b2e9a71369dd4bdfb5f9919905982ea46b3acaf1b5ecf989f6906 | shasum -a 256