Citaat | Rechtbank Amsterdam 29 juli 2015

Onder 4.9. Rechtbank Amsterdam 29 juli 2015

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 29 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4514.

Ten slotte heeft [eiser] gesteld dat de bank druk zou hebben uitgeoefend op het Fonds om bij voorrang bepaalde cliënten van de bank, dan wel bepaalde aan de bank verpande posities uit te betalen, met benadeling van andere beleggers in het Fonds waaronder [eiser], als gevolg. [eiser] wijst ter onderbouwing van zijn stelling onder meer op (een selectie uit) een aantal bij de FIOD afgelegde getuigenverklaringen van medewerkers van SBC (onder wie [naam 2]) en op een rapport van Holland-Integrity Group B.V. van 13 juli 2006 (hierna: het HIG-rapport). Deze stelling van [eiser] moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden ten tijde van de betalingsmoeilijkheden van SBC, medio november 2003. Door de bank is onvoldoende weersproken gesteld dat er toen door allerlei partijen druk werd uitgeoefend, gezien de grote bedragen die beleggers in het Fonds hadden gestoken. Waar het om gaat is of daadwerkelijk sprake is geweest van benadeling van [eiser] ten gevolge van door de bank ongeoorloofde uitgeoefende druk op SBC. Dit is onvoldoende toegelicht door [eiser]. De telefoongesprekken van SBC zijn vanaf 11 november 2003 getapt, in verband met een door [naam 1] gemelde bedreiging. Uit deze tapgesprekken kan niet worden afgeleid dat de bank op ongeoorloofde wijze druk heeft uitgeoefend op SBC. De bij de FIOD afgelegde getuigenverklaringen zijn niet eenduidig, onder meer niet over de vraag of de uitgeoefende druk (mede gelet op de zekerheden van de bank en de al dan niet bestaande wetenschap van de bank met betrekking tot een naderende insolventie) ongeoorloofd was, over de vraag in hoeverre druk van de bank resultaat zou hebben gehad dan wel over de vraag door wie, waarom en wanneer bij SBC (al dan niet in samenspraak met de bank) is besloten tot het doen van uitbetalingen in strijd met het één-op-één-systeem. Met de verwijzing naar deze verklaringen heeft [eiser] zijn stellingen dan ook onvoldoende onderbouwd. Ook de (algemene) verwijzing naar het HIG-rapport kan [eiser] niet baten. Allereerst kan aan dit (partij)rapport weinig waarde worden toegekend aangezien het is opgesteld in opdracht van het Fonds ten behoeve van de in een andere procedure aangesproken bestuurders van en andere betrokkenen bij het Fonds. Bovendien zijn de conclusies in dit rapport gebaseerd op dezelfde afgeluisterde telefoongesprekken en getuigenverklaringen. Ten slotte heeft [eiser] – zoals de bank terecht opmerkt – niet duidelijk gemaakt welke schade [eiser] zou hebben geleden door de door de bank (beweerdelijk) uitgeoefende ongeoorloofde druk en de (daardoor) gedane selectieve betalingen. In dit verband heeft de bank onweersproken gesteld dat [bedrijf 3], een vennootschap waarvan [eiser] de enig aandeelhouder is, ruim € 2 miljoen uit het Fonds uitbetaald heeft gekregen. De stelling van [eiser] dat hij benadeeld is door de druk die de bank in het kader van de uitbetaling heeft uitgeoefend, is dan ook onvoldoende onderbouwd om tot toewijzing van de vordering van [eiser] te kunnen leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ec511c24d37cf7a53039db583cdfe559738d7429119a795572577a93a5f323b2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ec511c24d37cf7a53039db583cdfe559738d7429119a795572577a93a5f323b2, en de alinea staat in dat document op bytes 54102 tot 57241.