Citaat | Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2015
Onder 16.4. Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2015
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4965.
Eiseres wijst in dit verband ten slotte op de uitspraak van het CBb van 17 juli 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:78) waaruit volgens eiseres zou volgen dat verweerder niet bevoegd was om tot intrekking over te gaan omdat de grondslag daartoe ontbreekt in de Vob. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In voornoemde uitspraak is overwogen dat er een relatie dient te bestaan tussen enerzijds de veranderde omstandigheden en anderzijds de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is verleend. In de zaak die voorlag in die uitspraak van het CBb was dat volgens het CBb niet het geval. In de onderhavige situatie ligt dat naar het oordeel van de rechtbank anders. Met de wijziging van de Vob biedt artikel 2.4.5, vijfde lid, van de Vob een aparte grondslag om een exploitatievergunning voor bedrijfsvaartuigen in te trekken. Verweerder heeft de intrekking van de vergunning gebaseerd op zowel artikel 1.2.8, eerste lid onder c, als artikel 2.4.5, vijfde lid, van de Vob, maar had overigens ook kunnen volstaan met laatstgenoemde bepaling. De belangen bedoeld in artikel 1.2.8, eerste lid onder c, van de Vob, zijn de belangen genoemd in artikel 2.4.5, vijfde lid, van de Vob, welke bepaling weer doorverwijst naar artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vob. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft geconcludeerd dat vanwege de feitelijke omstandigheden – waaronder de toegenomen drukte op de grachten alsmede de daardoor ervaren overlast – zijn beleidsdoelen, waaronder vermindering van de overlast, vergroening van de vloot, vergroten van de veiligheid en het verbeteren van de doorvaart, onvoldoende werden bereikt. In zoverre is er dus sprake van gewijzigde omstandigheden (toegenomen drukte en overlast) die in directe relatie staan tot de belangen milieu, veiligheid en vlotte en veilige doorvaart. Deze belangen kon verweerder al behartigen en aan de intrekking van een vergunning ten grondslag leggen op grond van artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vob. Door de wijziging van artikel 2.4.5, vijfde lid, van de Vob, kon verweerder ook de wens om de kwaliteit en de samenstelling (divers aanbod) van het passagiersvervoer te verbeteren, alsmede het beperken van de overlast, bij de intrekking betrekken. Van een intrekking louter vanwege een gewijzigd beleidsmatig inzicht dat het wenselijk zou zijn om ruimte voor nieuwkomers te scheppen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Van misbruik van bevoegdheid, voor zover eiseres bedoeld heeft dat aan te voeren, is evenmin sprake.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/06bcf0ff22e0afe2e7db258023e506b2a8d85b745ab77f215588dc6df2d9a8d3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 06bcf0ff22e0afe2e7db258023e506b2a8d85b745ab77f215588dc6df2d9a8d3, en de alinea staat in dat document op bytes 64297 tot 66812.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/06bcf0ff22e0afe2e7db258023e506b2a8d85b745ab77f215588dc6df2d9a8d3 | shasum -a 256