Citaat | Rechtbank Amsterdam 16 september 2015

Onder 4.5. Rechtbank Amsterdam 16 september 2015

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 16 september 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6128.

Voor een geslaagd beroep op artikel 3:194 lid 2 BW is daarom nodig dat een zeker, duidelijk te markeren, moment is gepasseerd, in die zin dat pas na dat moment degene die een bestanddeel opzettelijk heeft verzwegen ter zake niet meer tot inkeer kan komen zonder zijn aandeel in het bestanddeel te verbeuren. Dit is bijvoorbeeld het moment van de verdeling of – en dat volgt uit artikel 3:194 BW – het moment dat de (niet verplichte) boedelbeschrijving door de desbetreffende partijen wordt opgemaakt. Ook kan, afhankelijk van de omstandigheden, een ander moment gelden, maar een dergelijk moment is in dit geval niet bereikt. Steun voor dit oordeel is ook te vinden in de parlementaire geschiedenis bij artikel 1:135 lid 3 BW, het equivalent van artikel 3:194 lid 2 BW ten aanzien van verrekenbedingen (kamerstukken II, 2000-2001, 27 554, nr. 3, blz. 13), waarin staat dat de bepaling van artikel 1:135 lid 3 BW, aangepast aan de figuur van verrekening, is overgenomen van artikel 3:194 lid 2 BW. In artikel 1:135 lid 3 BW wordt als voorwaarde voor een geslaagd beroep op dat artikel genoemd dat daadwerkelijke verrekening heeft plaatsgevonden, waarin het achtergehouden goed niet is betrokken. Vaststaat dat in dit geval weliswaar een aantal bestanddelen van de nalatenschap is verdeeld, maar dat de verdeling van de totale nalatenschap nog niet heeft plaatsgevonden. Evenmin is een boedelbeschrijving opgemaakt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ruim voor het aanhangig maken van deze procedure [eiseres] ingelicht over een groot geldbedrag dat zich in het huis van [naam 1] bevond. Toen was, zoals hiervoor reeds is geoordeeld, het moment dat niet meer tot inkeer kon worden gekomen nog niet bereikt. De rechtbank ziet in hetgeen is overwogen in het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2195 geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Voor zover de door [eiseres] onder (i) en (ii) gevorderde verklaringen voor recht zijn gericht op verbeurte van het aandeel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het bedrag van € 666.600,00, zullen deze derhalve worden afgewezen. Datzelfde lot treft het onder (iv) en (v) gevorderde. Wel toewijsbaar is de onder (iii) gevorderde verklaring voor recht, in zoverre dat een derde van het bedrag van € 666.600,00 aan [eiseres] toekomt als erfgenaam. De rechtbank volgt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in hun stelling dat het hun toekomende legaat in mindering dient te worden gebracht op het in de woning van [naam 1] aangetroffen bedrag in contanten, waarop hierna bij de beoordeling in reconventie nader zal worden ingegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca92691f6e45959c201de8ba15f0c4be5955906e222ed3a0bf0f1fd2b3963d41. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca92691f6e45959c201de8ba15f0c4be5955906e222ed3a0bf0f1fd2b3963d41, en de alinea staat in dat document op bytes 32131 tot 34759.