Citaat | Rechtbank Amsterdam 10 december 2015
Onder 4.1.1. Rechtbank Amsterdam 10 december 2015
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 10 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:8799.
De raadsvrouw heeft ter zitting van 22 oktober 2015 als preliminair verweer aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (gewoontewitwassen) nietig is omdat volgens haar sprake is van een obscuur libel. Zij heeft samengevat het volgende betoogd. Het is de verdediging tegen de achtergrond van het dossier volstrekt onduidelijk wat verdachte nu precies wordt verweten. Het gaat hier om een kakafonie van beschuldigingen, te weten vijf juridische gedragingen (verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten en gebruik maken), gecombineerd met negen verschillende voorwerpen/geldbedragen. Het Openbaar Ministerie dient in zo’n geval in de tenlastelegging te duiden waaruit de strafbare handeling – de verbergings- of de verhullingshandeling met betrekking tot de criminele herkomst van het voorwerp – dan zou hebben bestaan omdat eerst met die handeling sprake is van witwassen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a057c403048953f1fc19d170fc781d085570ac5c880cb8d577ad5e12a832ae33. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a057c403048953f1fc19d170fc781d085570ac5c880cb8d577ad5e12a832ae33, en de alinea staat in dat document op bytes 11823 tot 12753.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a057c403048953f1fc19d170fc781d085570ac5c880cb8d577ad5e12a832ae33 | shasum -a 256