Citaat | Rechtbank Amsterdam 24 februari 2016

Onder 4.11.18. Rechtbank Amsterdam 24 februari 2016

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 24 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1018.

De rechtbank overweegt als volgt. Krachtens artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt een deelgenoot zijn aandeel in de gemeenschap indien die deelgenoot opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Voor de sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW is aanleiding wanneer een der deelgenoten het bestaan van een tot de gemeenschap behorend goed verzwijgt, terwijl hij wist dat het goed tot de gemeenschap behoort. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat inderdaad bepaalde bankrekeningen en bedragen in een later stadium van de procedure naar voren zijn gebracht. Echter, de Hoge Raad heeft onlangs beslist dat de sanctie in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW pas ingaat nadat de verdeling heeft plaatsgevonden. Tot aan het moment van de verdeling tussen de echtgenoten kunnen partijen nog melding maken van (het bestaan van) een vermogensbestanddeel dat in de verdeling betrokken moet worden (ECLI:NL:HR:2015:3475). Nu de verdeling van de gemeenschap tussen partijen nog niet heeft plaatsgevonden is naar het oordeel van de rechtbank het beroep van partijen op artikel 3:194 lid 2 BW prematuur en zal de rechtbank hieraan voorbij gaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2102456636652c9bdb654191e5731ff75a8322b527c3b7341b90a0438b6f149a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2102456636652c9bdb654191e5731ff75a8322b527c3b7341b90a0438b6f149a, en de alinea staat in dat document op bytes 54660 tot 55853.