Citaat | Rechtbank Amsterdam 29 februari 2016

Onder 3.2. Rechtbank Amsterdam 29 februari 2016

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 29 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1197.

MSI heeft ter zitting van 1 februari 2016 – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de aanzegging van 18 december 2015 ten onrechte is gedaan en dat MSI de deurwaarder om die reden heeft verzocht op grond van artikel 438 lid 4 Rv dit kort geding aanhangig te maken. In dit kort geding gaat het alleen om de vraag of de aanzegging rechtmatig is gedaan, niet om de vraag of de Nederlandse rechter al dan niet bevoegd is kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak tussen MSI en de republiek Gabon. Of de aanzegging rechtmatig is gedaan hangt af van de vraag of de conservatoire beslagen zijn gelegd op goederen die zijn bestemd voor de publieke dienst. MSI meent dat bij beantwoording van deze vraag niet op voorhand van de presumptie van immuniteit mag worden uitgegaan. De presumptie van immuniteit vloeit niet voort uit de Nederlandse opvatting van het internationaal gewoonterecht. Hiervoor verwijst MSI naar het eerder in haar beslagverzoek genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2015. Onder het Nederlandse beslagrecht is het mogelijk beslag te leggen op staatsgoederen met een niet-publieke bestemming. Indien de vreemde staat van mening is dat het beslag ten onrechte is gelegd op goederen die voor de publieke dienst zijn bestemd, kan opheffing van het beslag worden gevorderd. Op de vreemde staat rust in dat geval de bewijslast dat sprake is van goederen met een publieke bestemming. Niet valt in te zien dat in dit geval het internationaal geldende gewoonterecht (dat wél lijkt uit te gaan van de presumptie van immuniteit) zou moeten prevaleren boven de wettelijke Nederlandse bepaling (géén presumptie van immuniteit). Mocht de voorzieningenrechter van oordeel zijn dat het internationale gewoonterecht in het geval van staatsimmuniteit van executie prevaleert boven het gecodificeerde Nederlandse beslagrecht, dan geldt dat die immuniteit van executie niet absoluut is. Dit volgt uit het zogenoemde Azeta-arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2010:BD1387 en is herhaald in het zogenoemde DRC-arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013, ECLI:NL:HR: 2013:45. Niet bepalend is hoe het internationale gewoonterecht in het VN-verdrag is gecodificeerd, maar in hoeverre het internationale gewoonterecht in Nederland is aanvaard. De in Nederland aanvaarde gewoonterechtelijke hoofdregel is eenvoudig: goederen met een andere dan een publieke bestemming zijn vatbaar voor (conservatoir) beslag. Een crediteur kan derhalve beslag leggen op goederen van een vreemde staat die zich in Nederland bevinden, mits die goederen geen publieke bestemming hebben. Er geldt niet a priori een presumptie van immuniteit; een dergelijke presumptie zou de bewijslast dat de goederen niet voor de publieke dienst zijn bestemd op de beslaglegger leggen, waardoor hij in een onmogelijke bewijspositie zou worden gebracht. Het is immers onmogelijk te bewijzen dat de beslagen goederen niet voor de publieke dienst zijn bestemd zonder dat de beslaglegger over een daartoe strekkende verklaring van de vreemde staat beschikt. Het recht om beslag te leggen wordt hierdoor illusoir. Toepassing van de presumptie van immuniteit is daarom in strijd met het grondrecht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). MSI verwijst nog naar uitspraken van de Zwitserse en de Belgische rechter (paragraaf 4.16 pleitnota), waaruit volgt dat er geen algemeen aanvaarde internationale praktijk bestaat die zou inhouden dat er a priori moet worden uitgegaan van immuniteit van executie. In dit geval geldt dat MSI als beslaglegger heeft gesteld dat de beslagen goederen commercieel van aard zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat de beslagen goederen voor de publieke dienst zouden zijn bestemd. De republiek Gabon heeft geen daartoe strekkende verklaring afgelegd. De beslagen zijn gelegd onder partijen waarvan aannemelijk is dat zij een commerciële relatie met de republiek Gabon hebben, zoals banken en oliebedrijven. Het ligt niet voor de hand dat de republiek Gabon voor de publieke dienst bestemde gelden zou aanhouden op een Nederlandse bankrekening. Ook de oliebedrijven waaronder beslag is gelegd staan in een commerciële rechtsverhouding met de republiek Gabon. MSI concludeert dan ook tot handhaving van de gelegde beslagen en verzoekt de voorzieningenrechter de werking aan de door de Staat gedane aanzegging te ontzeggen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0cc0bc3fa697d79aaea1a0ea27aae567df40c16154cac99b54bd589517c4995c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0cc0bc3fa697d79aaea1a0ea27aae567df40c16154cac99b54bd589517c4995c, en de alinea staat in dat document op bytes 15162 tot 19583.