Citaat | Rechtbank Amsterdam 29 februari 2016

Onder 3.3. Rechtbank Amsterdam 29 februari 2016

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 29 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1197.

Met betrekking tot de aanzegging van 18 december 2015 voert de Staat aan dat de volkenrechtelijke immuniteit van executie via artikel 13a Wet Algemene Bepalingen zijn beslag heeft gekregen in de Nederlandse rechtsorde. Onder het internationaal gewoonterecht wordt op het beginsel van immuniteit van executie met betrekking tot eigendommen van staten alleen een uitzondering aanvaard voor eigendommen die niet zijn bestemd voor een overheidstaak en worden gebruikt voor commerciële doelen. Staatseigendommen met een publieke bestemming zijn nooit vatbaar voor gedwongen executie. Het internationaal gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de immuniteit van executie is in belangrijke mate gecodificeerd in het in de aanzegging genoemde VN-Verdrag (productie 1 van de Staat). Dat dit verdrag nog niet in werking is getreden doet niet ter zake; de inhoud reflecteert immers het bestaande internationaal gewoonterecht. In het VN-Verdrag wordt onderscheid gemaakt tussen conservatoire en executoriale maatregelen. Ten aanzien van conservatoire maatregelen gaan de uitzonderingen op de hoofdregel van immuniteit minder ver dan ten aanzien van executiemaatregelen. De volkenrechtelijke hoofdregel brengt mee dat er een presumptie van immuniteit van executie geldt; de partij die verhaal zoekt op staatseigendommen moet aantonen dat deze een non-gouvernementele, commerciële, bestemming hebben. Deze regel ligt besloten in het bestemmingscriterium in artikel 19 van het VN-Verdrag. De presumptie van immuniteit vloeit voort uit de ratio van de immuniteit zelf. Het verdraagt zich niet met de aan immuniteit ten grondslag liggende soevereiniteit dat de vreemde staat – ten overstaan van de buitenlandse rechter – gedwongen wordt inzicht te geven in de wijze waarop hij zijn publieke middelen besteedt. Van de vreemde staat kan ook niet gevergd worden dat hij zelf gerechtelijke stappen onderneemt (bijvoorbeeld een kort geding tot opheffing van het beslag) om de inbreuk op de soevereiniteit ongedaan te maken. Dat het beslag is gelegd op eigendommen van een vreemde staat die mogelijk zullen worden aangewend voor publieke doeleinden, rechtvaardigt reeds de presumptie van immuniteit. De beslaglegger moet aantonen dat zich een uitzondering voordoet. Dit volgt onder meer uit het Azeta-arrest van de Hoge Raad en uit het arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 februari 2015 (productie 2 van de Staat). De Staat realiseert zich dat schuldeisers die zoeken naar verhaalsmogelijkheden op een vreemde staat daarmee komen te staan voor “de onneembare veste van de immuniteit van executie”. Onder staatseigendommen vallen overigens ook vorderingen van een vreemde staat. Ook die worden vermoed een publieke bestemming te hebben, tenzij concreet en daadwerkelijk kan worden vastgesteld dat de gelden een commerciële, non-gouvernementele bestemming hebben. De bestemming van de gelden moet overigens uitdrukkelijk worden onderscheiden van de herkomst van de gelden. Gelden waarvan de herkomst is gelegen in een commerciële overeenkomst, kunnen immers voor publieke doeleinden worden bestemd. Als gevolg hiervan zijn tegoeden of vorderingen van een vreemde staat zelden voor beslag en uitwinning vatbaar. Tot slot voert de Staat aan dat het beroep van MSI op het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2015 niet op gaat. Aan het oordeel van dit gerechtshof ligt een onjuiste (rechts)opvatting omtrent de reikwijdte van de immuniteit van executie ten grondslag. De Staat heeft dan ook cassatieberoep tegen dit arrest ingesteld. De conclusie is – aldus de Staat – dat de gevolgen van de aanzegging van 18 december 2015 in stand moeten blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0cc0bc3fa697d79aaea1a0ea27aae567df40c16154cac99b54bd589517c4995c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0cc0bc3fa697d79aaea1a0ea27aae567df40c16154cac99b54bd589517c4995c, en de alinea staat in dat document op bytes 20259 tot 24049.