Citaat | Rechtbank Amsterdam 23 maart 2016

Onder 3.7.3. Rechtbank Amsterdam 23 maart 2016

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 23 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1585.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 2] – toen hij de instructie kreeg om de betalingsinstructies zo in te richten dat betaald zou worden aan KIC en de vorderingen van piloot [naam 8] en zijn echtgenote [naam 7] niet langer uit de koopprijs zouden worden voldaan – zich heeft afgevraagd en met zijn cliënten heeft besproken wat de rechtsgrond was voor deze betaling aan KIC, waarom deze vorderingen niet meer uit de koopprijs zouden worden voldaan en op welke wijze in voldoende mate was gewaarborgd dat de vordering van Domus op het tijdstip van opeisbaarheid daarvan zou kunnen worden voldaan. Gezien de financiële situatie van de Kooilust-groep en de gesprekken die advocaten van [kantoor] , nog voordat de koopprijs daadwerkelijk aan KIC werd betaald, daarover hadden met de curatoren en de actieve rol die [gedaagde sub 2] heeft gehad bij het tot stand brengen van die betaling, was daarvoor evenwel alle aanleiding. Daarbij komt dat niets naar voren is gebracht waaruit volgt dat de advocaten van [kantoor] redenen hadden om aan te nemen dat Dijk en Renting iets anders waren dan houdstermaatschappijen voor het vliegtuig of dat Dijk en Renting vermogen hadden of ondernemingsactiviteiten hadden waarmee enige inkomsten zouden kunnen worden gegenereerd in de loop van de jaren. Anders dan [gedaagden gezamenlijk] stelt, was het onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet voldoende dat “aan een dergelijke betaling (…) tal van redenen ten grondslag [kunnen] liggen” en dat [gedaagden gezamenlijk] “ervan [mocht] uitgaan dat sprake was van een rechtmatige transactie” en dat “voor die overboeking een redelijke zakelijke reden bestond”. Dat, zoals [gedaagden gezamenlijk] in de conclusie van antwoord heeft gesteld, KIC het aan Renting toekomende deel van de verkoopopbrengst na ontvangst aan Renting zou doorbetalen, blijkt nergens uit. Evenmin is duidelijk op grond waarvan [gedaagden gezamenlijk] er – zoals zij stelt – altijd vanuit is gegaan dat dat deel van de koopprijs is uitbetaald aan Renting en dat de (eventuele) vordering van [naam 8] door Renting is voldaan. Van enige “mededelingen van de zijde van cliënten” waarop [gedaagden gezamenlijk] dit baseert is niets gebleken. Voor zover [gedaagden gezamenlijk] stelt dat achteraf is gebleken dat door Dijk en Renting werd voldaan aan opeisbare betalingsverplichtingen uit hoofde van ‘Inflatie Exchange Contracten’, kan deze stelling haar – wat daar ook van zij – niet baten. [gedaagden gezamenlijk] heeft immers zelf verklaard dat zij eerst veel later (in de conclusie van antwoord spreekt [gedaagden gezamenlijk] van “recentelijk”) kennis nam van het bestaan van deze ‘Inflatie Exchange Contracten’ en deze kunnen in 2005 dus (in ieder geval voor [gedaagden gezamenlijk] ) geen rechtvaardiging zijn geweest voor de betaling van de koopprijs aan KIC.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/162c1396c7e9bf1fd164a5fcd8412964721ffdb6a19ce0357b380246a58cfb20. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 162c1396c7e9bf1fd164a5fcd8412964721ffdb6a19ce0357b380246a58cfb20, en de alinea staat in dat document op bytes 65916 tot 68801.