Citaat | Rechtbank Amsterdam 6 januari 2016

Onder 6.5. Rechtbank Amsterdam 6 januari 2016

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 6 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:27.

Op [gedaagde 33] c.s. en op [gedaagde 2] c.s., die zich beroepen op de gevolgen van de stelling dat de vordering van Chidda c.s. is verjaard, rust de stelplicht en de bewijslast van die stelling. In het bijzonder dienen zij feiten en omstandigheden te stellen die onderbouwen welke bewoners onafgebroken op het perceel wonen en dat die bewoning in ieder geval ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding reeds 20 jaren voortduurde. Dat geldt zowel voor de bevrijdende als voor de verkrijgende verjaring, nu zij zich niet op het standpunt hebben gesteld dat er sprake was van bezit te goeder trouw. Zonder in de beoordeling te treden van de vraag of Chidda c.s. stuitingshandelingen heeft verricht vóórdat de dagvaarding werd uitgebracht, moet in ieder geval die dagvaarding worden aangemerkt als een daad van rechtsvervolging die de stuiting van de verjaring tot gevolg heeft (artikel 3:316 lid 1 BW).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc607beecd82ad6033e3523e4b90a90a7611861c5060117b21eab562105a0557. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc607beecd82ad6033e3523e4b90a90a7611861c5060117b21eab562105a0557, en de alinea staat in dat document op bytes 34295 tot 35216.