Citaat | Rechtbank Amsterdam 4 mei 2016

Onder 4.6. Rechtbank Amsterdam 4 mei 2016

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 4 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5819.

Hoewel in de literatuur over artikel 2:336 BW discussie bestaat over de betekenis van de vermelding in de wetsgeschiedenis dat het moet gaan om gedragingen verricht ‘in de hoedanigheid van aandeelhouder’, en ook de rechtspraak op dat punt niet eenduidig is, geldt als uitgangspunt dat het bij de toepassing van dat artikel steeds moet gaan om (daadwerkelijke) gedragingen van de aandeelhouder. Dienovereenkomstig zal het bij toepassing van artikel 2:342 BW moeten gaan om daadwerkelijke gedragingen van de stemgerechtigde pandhouder en zijn voor de onderhavige beoordeling dus alleen concrete handelingen van RBS relevant. Dit betekent dat de door [eiser] gestelde gedragingen van Tchenguiz (hiervoor weergegeven onder 4.3), die niet geresulteerd hebben in handelingen van RBS, buiten beschouwing moeten blijven. Het betoog van [eiser] dat en waarom alle gedragingen van Tchenguiz (dan wel van de Junior Lenders) toegerekend zouden moeten worden aan RBS, behoeft dan ook geen verdere bespreking. Ditzelfde geldt voor de vraag of Tchenguiz (via de Junior Lenders) een onoorbaar doel nastreeft (in de vorm van de loan-to-own strategie). Anders dan [eiser] stelt, betekent dit niet dat iedere vordering op grond van 2:342 BW kan worden gefrustreerd door er “een facility agent tussen te schuiven”. Zolang die facility agent ook pandhouder is, kunnen diens gedragingen immers worden getoetst aan het hiervoor weergegeven criterium.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c69f05ef1fe6d38bd7363ce124a78a0f6b144cb6e5192e3c8b68c14d37ed90b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c69f05ef1fe6d38bd7363ce124a78a0f6b144cb6e5192e3c8b68c14d37ed90b, en de alinea staat in dat document op bytes 37892 tot 39376.