Citaat | Rechtbank Amsterdam 29 september 2016

Onder 10.3 Rechtbank Amsterdam 29 september 2016

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 29 september 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6187.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de aan eiser opgelegde boete het volgende. De rechtbank volgt niet eisers stelling dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid omdat hij onbekend was met de regels en de overtreding niet opzettelijk heeft begaan. Het was immers de eigen verantwoordelijkheid van eiser om zich op de hoogte te stellen van de relevante wet- en regelgeving, zoals volgt uit rechtsoverweging 5.2. Ten aanzien van het betoog dat er slechts incidenteel zou zijn verhuurd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat al bij eenmalige verhuur aan toeristen sprake is van onttrekking van een woning aan de woonvoorraad. Dat maakt de boete van €12.000 op zichzelf niet onevenredig hoog. Overigens is de rechtbank van oordeel dat een gemiddelde verhuur van vier maanden per jaar, zoals in dit geval, niet als incidenteel kan worden aangemerkt. Nu verder in bijlage 5 van de Verordening al bij vaststelling van de hoogte van de boetes een onderscheid is gemaakt tussen een eerste overtreding en een herhaalde overtreding, kan de stelling dat in dit geval sprake was van een eerste overtreding eiser niet baten. De stelling dat verweerder een meer gedifferentieerd boetestelsel moet hanteren, waarbij dezelfde uitgangspunten moeten worden gehanteerd als in de door eiser genoemde uitspraak van de Centrale Raad van beroep, volgt de rechtbank evenmin. Die uitspraak ziet op de boetewetgeving in het kader van de sociale zekerheid, waarbij andere regelgeving van toepassing is. De rechtbank ziet geen reden te oordelen dat dit analoog zou moeten worden toegepast op het onderhavige geval. Voor zover eiser zich heeft beroepen op zijn financiële positie als reden tot matiging, heeft eiser hierover geen onderbouwing overgelegd. Het enkele feit verder dat geen sprake is geweest van bedrijfsmatige exploitatie, acht de rechtbank gelet op het voorgaande onvoldoende voor het oordeel dat de boete geen evenredige sanctie is, te meer nu wel aannemelijk is dat eiser met de verhuur geld heeft verdiend. Dat de woning inmiddels – na de boeteoplegging – weer aan de woonvoorraad is toegevoegd, laat tot slot onverlet dat de overtreding wel is begaan. Bovendien toont dit juist de doeltreffende werking van de boeteoplegging aan. Gelet op al het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat in het geval van eiser een boete van € 12.000,- conform de bijlage bij de Verordening onevenredig is. De stelling van eiser dat, gelet op alle aangevoerde omstandigheden, verweerder aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen, slaagt daarom evenmin.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a108e8437eeedd5eea3c0b61690b6645b0033892f46baa13056dc8e7c446ab45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a108e8437eeedd5eea3c0b61690b6645b0033892f46baa13056dc8e7c446ab45, en de alinea staat in dat document op bytes 32079 tot 34683.