Citaat | Rechtbank Amsterdam 3 februari 2016
Onder 4.4. Rechtbank Amsterdam 3 februari 2016
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 3 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:620.
De rechtbank zal moeten beoordelen of de ontslagvergunning ook bij een zorgvuldig onderzoek zou zijn verleend. Dit is naar zijn aard een enigszins speculatieve beoordeling, omdat bedoeld onderzoek nu juist niet heeft plaatsgevonden. Het komt hierbij aan op wat het meest waarschijnlijke scenario zou zijn geweest. Bij een volledig onderzoek had het UWV in elk geval beschikt over de schriftelijke arbeidsovereenkomst en de loonstrook van oktober 2009. Volgens de arbeidsovereenkomst was [eiseres] ‘medewerker bediening’, in functiegroep 3. [restaurant] en [eiseres] waren het erover eens dat [eiseres] in die functie aanvankelijk ‘in de zalen’ werkte, totdat [restaurant] in 2008 de zalenverhuur heeft afgestoten. Zij waren het er ook over eens dat [eiseres] daarna in het restaurant is gaan werken, en dan in elk geval voornamelijk achter de bar. Uit de loonstrook van oktober 2009 had dan kunnen worden afgeleid dat dit niet leidde tot een andere functieomschrijving of functiegroep. Er waren geen functiebeschrijvingen beschikbaar bij [restaurant] , zodat die geen houvast konden bieden voor de vraag of [eiseres] sinds 2008 een unieke functie bekleedde. Bij die stand van zaken zou het aangekomen zijn op welk werk [eiseres] in de praktijk deed en of dat werk rechtvaardigde dat haar functie uniek werd genoemd. Daartoe had het UWV waarschijnlijk aan [restaurant] en [eiseres] moeten vragen om daarover verklaringen over te leggen. Waarschijnlijk zouden dan verklaringen zijn overgelegd die vergelijkbaar zijn met de getuigenverklaringen die in de KOO-procedure zijn afgelegd. De kantonrechter heeft op basis van die verklaringen geoordeeld dat [eiseres] geen unieke functie bekleedde. Het UWV heeft in punt 4.4 van de conclusie van dupliek ten onrechte vermeld dat de kantonrechter uit de getuigenverklaringen de conclusie heeft getrokken dat er een functiescheiding was beoogd en dat het werk van [eiseres] verschilde van dat van haar collega’s. Die overweging van de kantonrechter komt immers niet voor in het eindvonnis, maar in het tussenvonnis waarin de bewijsopdracht is gegeven. Uit de getuigenverklaringen wordt bij eindvonnis, als gezegd, juist geconcludeerd dat [eiseres] geen unieke functie had en dat het afspiegelingsbeginsel dus had moeten worden toegepast. Het UWV heeft weliswaar betoogd dat de getuigenverklaringen ook tot de tegengestelde conclusie hadden kunnen leiden, maar los van de vraag of dat bij een juiste bewijswaardering zo zou zijn geweest, geldt dat de verklaringen bij elkaar genomen in elk geval voldoende twijfel zaaien over het standpunt van [restaurant] dat [eiseres] een unieke functie bekleedde. Nu het aan [restaurant] was om haar standpunt in de procedure bij het UWV aannemelijk te maken, had dit, indien een behoorlijke procedure bij het UWV was gevoerd, tot de conclusie moeten leiden dat zij daarin niet zou zijn geslaagd. Het resultaat zou dan zijn geweest dat de ontslagvergunning voor [eiseres] niet zou zijn verleend. Vast staat immers dat zij bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel niet voor ontslag in aanmerking kwam.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/93414604c275b8dcd6f702eecb36f4e98a1db8895f68bd8908d23e66f9a52b22. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 93414604c275b8dcd6f702eecb36f4e98a1db8895f68bd8908d23e66f9a52b22, en de alinea staat in dat document op bytes 20125 tot 23227.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/93414604c275b8dcd6f702eecb36f4e98a1db8895f68bd8908d23e66f9a52b22 | shasum -a 256