Citaat | Rechtbank Amsterdam 20 april 2016
Onder 4.8. Rechtbank Amsterdam 20 april 2016
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 20 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6236.
In het onderhavige geval is echter bij gebreke van een voldoende toelichting door [eiser] niet komen vast te staan dat de bank wetenschap had of behoorde te hebben over feiten die mogelijk onrechtmatig waren. Zo heeft de bank aangevoerd dat zij de positieoverzichten niet controleerde aan de hand van de onderliggende transacties. De bank heeft daaraan – onvoldoende weersproken – het volgende toegevoegd. De bank ontving de positieoverzichten slechts als pandhouder, waardoor deze voor haar niet meer waren dan een bevestiging van het bestaan en de omvang van de posities, niet van de onderliggende transacties. Ook voor het bestaan van schijntransacties (de zogenaamde “spookbriefjes”) of voor andere transacties in strijd met het prospectus had de bank geen aanwijzing. De bank wijst erop dat de accountantskantoren die het Fonds controleerden ook geen onregelmatigheden hebben ontdekt. De bank voert voorts aan dat zij op enig moment medio november 2003 wel contact heeft opgenomen met SBC, toen bleek dat uitbetalingen door SBC aan cliënten van de bank niet klopten met aan de bank bevestigde posities. De medewerker van SBC heeft, aldus de bank, toen geantwoord dat er vertraging in de afwikkeling was, en dat nog niet alle transacties waren verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank was er, gezien de positie van de bank in dit geval (beheerder van rekeningen met toepassing van geautomatiseerde systemen, houder van zekerheden), in ieder geval een concrete aanleiding vereist om voor de bank een onderzoeksplicht aan te kunnen nemen teneinde de belangen te beschermen van haar kredietnemers. Het moet er bij gebreke van een nadere toelichting van [eiser] voor worden gehouden dat dergelijke concrete aanleidingen er niet zijn geweest. De bank heeft onvoldoende weersproken toegelicht dat voorraadposities (en dus niet ongeloofwaardige rendementen) ten grondslag lagen aan transactieverzichten. De bank heeft er in dit verband ook op gewezen dat zij niet bekend was (of behoorde te zijn) met de positie bij aanvang van de beleggingen. [eiser] wijst op transactieoverzichten van andere participanten, waarmee hij destijds niet bekend was maar die hij thans in handen heeft gekregen. [eiser] heeft tegenover de betwisting door de bank geen toereikende analyse gemaakt van die overzichten en dat en waarom daaruit zou kunnen of moeten worden afgeleid dat er (ernstige) problemen aan de hand waren waarnaar nader onderzoek had moeten worden gedaan. In dit opzicht blijft de rechtbank dan ook bij haar oordeel gegeven in de zaak [naam 10] (zie hiervoor onder 4.1) waarin zij het Gerechtshof Amsterdam (nevenzittingsplaats Arnhem) in zijn arrest van 6 november 2012 in de zaak [naam 11] (zaaknummer 200.013.643, niet gepubliceerd, maar door de bank overgelegd in deze procedure) heeft gevolgd. Op dit punt oordeelt de rechtbank derhalve anders dan het Gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 18 december 2012 in de zaak Nieborg (ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ2708), waarop [eiser] zich heeft beroepen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b45d98fc89209d6bbbaf5fdf6df8763f6b0440765e787701dd010714549c4146. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b45d98fc89209d6bbbaf5fdf6df8763f6b0440765e787701dd010714549c4146, en de alinea staat in dat document op bytes 54447 tot 57466.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b45d98fc89209d6bbbaf5fdf6df8763f6b0440765e787701dd010714549c4146 | shasum -a 256