Citaat | Rechtbank Amsterdam 14 december 2016

Onder 4.34. Rechtbank Amsterdam 14 december 2016

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 14 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8264.

Uit het voorgaande volgt evenwel – anders dan de Staat Oekraïne stelt – niet dat alle bepalingen van het VN Verdrag 2004 als internationaal gewoonterecht kunnen worden aangemerkt (Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236). Dit betekent dat per bepaling van het VN Verdrag 2004 moet worden onderzocht of daarmee internationaal gewoonterecht is gecodificeerd. In artikel 8 lid 1 onder a is bepaald dat een staat in een geding voor de rechter van een andere staat geen beroep kan doen op immuniteit van rechtsmacht indien hij het geding zelf heeft ingesteld. De Staat Oekraïne betwist niet dat deze bepaling moet worden aangemerkt als internationaal gewoonterecht en evenmin dat het vrijwillig tussenkomen in deze procedure hiermee gelijk is te stellen. Hij stelt evenwel met een beroep op de uitzondering in artikel 8 lid 2 onder b van het VN Verdrag 2004 dat hij zijn immuniteit niet verliest omdat hij in deze procedure slechts is tussengekomen met het doel zijn eigendommen te revindiceren. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of deze bepaling is aan te merken als internationaal gewoonterecht, omdat de Staat Oekraïne in dit geval in ieder geval geen beroep kan doen op de uitzondering van artikel 8 lid 2 onder b. De Staat Oekraïne heeft – zoals in conventie is overwogen – in deze procedure een vordering ingesteld op grond van een internationaal verdrag, het UNESCO-Verdrag 1970, artikel 6.7 Erfgoedwet en artikel 1011a Rv. Deze vordering kan niet worden gezien als ingesteld: “uitsluitend ten behoeve van een beroep op een recht op of belang in de eigendommen die het voorwerp zijn van het geding”. Deze vordering is immers ingesteld met het doel zijn culturele erfgoederen – de Krimschatten – op te vorderen. De vraag of de Staat Oekraïne ook (civielrechtelijk) als eigenaar van de Krimschatten heeft te gelden is in deze procedure (uiteindelijk) geen onderwerp van geschil. Door een vordering in te stellen op grond van artikel 1011a Rv, heeft hij ook het met die vordering verband houdende artikel 1011c Rv tegen zich te laten gelden, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de daar bedoelde kosten komen voor rekening van de staat die de vordering heeft ingesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/41c6c42a76486dd3d542fdd855dfcec5c9cd170969801149d56081185327bec4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 41c6c42a76486dd3d542fdd855dfcec5c9cd170969801149d56081185327bec4, en de alinea staat in dat document op bytes 81012 tot 83249.