Citaat | Rechtbank Amsterdam 9 mei 2018

Onder 4.6. Rechtbank Amsterdam 9 mei 2018

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 9 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2985.

Het voorgaande neemt niet weg dat een bank ook jegens een derde gehouden is tot actie als zij weet dat op de rekening van haar cliënt ongebruikelijke transacties worden verricht die mogelijk een gevaar voor die derde meebrengen. Uit voornoemd Hoge Raad-arrest (“ [naam arrest 2] ”) volgt naar het oordeel van de rechtbank dat “behoren te weten” niét (mede) het criterium is, maar dat het moet gaan om daadwerkelijke wetenschap oftewel “subjectief gevaarsbewustzijn”. Daarbij heeft de rechtbank zich rekenschap gegeven van een in zoverre andersluidende maatstaf die zij heeft gehanteerd in haar vonnissen ECLI:NL:RBAMS:2017: 5360 (r.o. 4.2) en ECLI:NL:RBAMS:2017:8021 (r.o.4.3).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa6588feb45f33d3cfe10470932f6e11adf9bf4e06b330a67349493cae74fe32. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa6588feb45f33d3cfe10470932f6e11adf9bf4e06b330a67349493cae74fe32, en de alinea staat in dat document op bytes 26819 tot 27523.