Citaat | Rechtbank Amsterdam 31 januari 2018

Onder 4.13. Rechtbank Amsterdam 31 januari 2018

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 31 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:504.

De rechtbank is van oordeel dat deze onvoldoende feitelijke onderbouwing van de (resterende) vorderingen moet leiden tot afwijzing daarvan wegens het niet voldoen aan de in artikel 150 Rv opgenomen stelplicht. Het is immers aan de partij die een vordering toegewezen wenst te zien om de rechtbank te voorzien van alle feiten die tot toewijzing van een dergelijke vordering kunnen leiden. Bij tussenvonnis van 22 april 2015 heeft de rechtbank Claim Participants opgedragen om niet alleen de namen van individuele lastgevers bekend te maken, maar tevens om “inzicht [te] geven in de identiteit van de materiële eisers (cedenten, lastgevers, opdrachtgevers), in de concrete communicatie met de materiële eisers over relevante kenmerken en eigenschappen van swaps (indien dergelijke communicatie heeft plaatsgevonden) en in de overige concrete omstandigheden die voor iedere materiële eiser relevant zijn geweest bij de totstandkoming van de swaps ” Bij conclusie van dupliek heeft ABN AMRO tot haar verweer aangevoerd dat Claim Participants haar stellingen onvoldoende had toegespitst op de specifieke dossiers van de lastgevers, niet had onderbouwd uit welke concrete omstandigheden voortvloeit dat de betreffende zeven lastgevers schade hebben geleden en niet heeft aangegeven welke financieringen de betreffende onderneming heeft afgesloten en hoe de door haar afgesloten renteswaps zijn vormgegeven. Ook heeft ABN AMRO er toen op gewezen dat geen inzicht is gegeven in het voorlichtingstraject en dat een dossierspecifieke onderbouwing van de vorderingen ontbreekt. Vervolgens heeft de rechtbank ter gelegenheid van het eerder gehouden pleidooi op 30 januari 2017 een gehele dag ingeruimd voor een nadere toelichting van de standpunten van partijen. Daarbij was het middaggedeelte gereserveerd voor toelichting van de standpunten in de individuele dossiers. Dit was aan partijen op voorhand meegedeeld. Op verzoek van onder meer Claim Participants zelf zijn de spreekaantekeningen van die dag, dus ook die in de individuele dossiers, ondanks de wraking alsnog aan het dossier toegevoegd. Nadat dit pleidooi aan het eind van de middag is gestaakt, zijn nog gedurende een periode van tien maanden nadere aktes en producties ingediend aan de zijde van Claim Participants. Tot slot heeft op 20 november 2017 opnieuw een pleidooi plaatsgevonden, waarbij beide partijen twee uur spreektijd is gegeven om standpunten nader toe te lichten. Ter gelegenheid van dit pleidooi heeft de advocaat van Claim Participants ervoor gekozen om gedeeltes uit zijn pleitnota die zagen op een toelichting in de individuele zaken niet voor te dragen. Geoordeeld moet dan ook worden dat Claim Participants niet alleen uitgebreid in de gelegenheid is geweest om feiten aan te dragen ter onderbouwing van de vorderingen, maar ook verschillende malen daartoe is uitgenodigd en is opgedragen om de nog ontbrekende individuele onderbouwing te verschaffen. De rechtbank verwijst bovendien nog eens naar het onder 4.8 aangehaalde vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De eisende partij in die zaak had in ieder geval banden met Swapschade B.V., de rechtsvoorgangster van Claim Participants in de onderhavige procedure. Ook bij dat vonnis is in niet mis te verstane bewoordingen gewezen op de gevolgen van een onvoldoende individuele onderbouwing van ingestelde vorderingen. Niettemin moet na deze hele voorgeschiedenis nog steeds worden geconcludeerd dat een dergelijke onderbouwing achterwege is gebleven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/25e116f304fb0bf91faac34c22a653b1c092d994783718631077bd1b1b069958. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 25e116f304fb0bf91faac34c22a653b1c092d994783718631077bd1b1b069958, en de alinea staat in dat document op bytes 51797 tot 55327.