Citaat | Rechtbank Amsterdam 18 februari 2019

Alinea 60 Rechtbank Amsterdam 18 februari 2019

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 18 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1049.

6. Vaststaat dat [naam overledene] en [naam 4] in december 2015 telefonisch met elkaar gesproken hebben. Ter zitting is gevraagd naar de verklaring van [naam 4] . [naam 2] , voorzitter van het pensioenfonds, heeft ter zitting aangegeven dat hij naar aanleiding van deze procedure gesproken heeft met [naam 4] en dat [naam 4] zich niet kan herinneren of er in december 2015 met [naam overledene] over de mogelijkheid van vervroeging is gesproken. [naam 4] heeft wel verklaard dat [naam overledene] aan hem niets heeft verteld over zijn ziekte of dat er enige vorm van urgentie uit het gesprek bleek. [eiseres] heeft dit laatste niet betwist. Nu niet meer vast is te stellen of de mogelijkheid van vervroeging besproken is ( [naam 4] kan zich dit immers niet meer herinneren en [naam overledene] kan hier uiteraard ook geen verklaring meer over afleggen) moet het ervoor worden gehouden dat hier niet over gesproken is. Dit ligt ook meer in de rede, nu het pensioenfonds zich op het standpunt stelt dat medewerkers van het pensioenfonds zonder aanleiding, waarvan wel vaststaat dat [naam overledene] die niet heeft gegeven, geen reden hebben om over vervroeging te beginnen omdat zij dan meer informatie geven dan op dat moment zinvol is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dfc602188b83933825f103ec7da30eb23ec74a9c266127679105478492faf405. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dfc602188b83933825f103ec7da30eb23ec74a9c266127679105478492faf405, en de alinea staat in dat document op bytes 17570 tot 18822.