Citaat | Rechtbank Amsterdam 25 januari 2019

Onder 3.2. Rechtbank Amsterdam 25 januari 2019

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 25 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1339.

In de rechtspraktijk wordt in toenemende mate arbitrage ingezet in incassozaken om een titel te verkrijgen. Het gaat daarbij om zaken waarin in de meeste gevallen geen verweer verwacht wordt. Als aannemelijk is dat de gedaagde partij een consument is, zoals in dit geval waarin de eisende partij betaling van huurachterstand vordert van een natuurlijke persoon, en deze niet in de arbitrale procedure verschijnt, zoals ook hier, is de kwestie van ambtshalve toepassing van Europees consumentenrecht van belang. Dit betreft met name de toepassing van Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993, betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PbEG L95/29), hierna: de Richtlijn. Die toepassing zal er in het algemeen niet toe leiden dat aannemelijk is dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, aangezien uit een arbitraal vonnis gewoonlijk niet is af te leiden of aan de totstandkoming van die overeenkomst (veelal door een arbitragebeding in algemene voorwaarden) gebreken kleven. Wel moet de arbiter de Richtlijn toepassen en indien hij dat niet of op onjuiste wijze doet, is het de vraag of het arbitrale vonnis tot stand is gekomen op een wijze die in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Is dat het geval, dan zal de voorzieningenrechter het gevraagde verlof moeten weigeren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/059adc5eb8b449f90e20e8e85d54d988ba4f1b69c6354fad8fafb9b8b3f74e78. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 059adc5eb8b449f90e20e8e85d54d988ba4f1b69c6354fad8fafb9b8b3f74e78, en de alinea staat in dat document op bytes 8815 tot 10135.