Citaat | Rechtbank Amsterdam 25 januari 2019
Onder 3.7. Rechtbank Amsterdam 25 januari 2019
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 25 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1339.
De tweede vraag houdt verband met de beschikking van het HvJEU 3 april 2014 ECLI:EU:C:2014:1857 ( [partijnaam] ), waarin is bepaald dat de rechter bij de beoordeling van een arbitraal beding moet nagaan of dat beding tot doel of tot gevolg heeft het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door een consument wordt belet of belemmerd. Daarbij is relevant, hoewel niet beslissend of de consument voldoende informatie heeft ontvangen over de verschillen tussen de arbitrageprocedure en de gewone gerechtelijke procedure. Volgens deze beschikking zou die informatie moeten worden gegeven vóór de sluiting van de betrokken overeenkomst. Naar Nederlands recht is evenwel verdedigbaar dat die informatie moet worden verstrekt op het moment dat de consument nadat een geschil is gerezen voor de keuze wordt gesteld of hij zich neerlegt bij de bedongen arbitrage of alsnog kiest voor de gewone rechter. Dat is in dit geval gebeurd. Tegen de arbitrage hoeft dan geen bezwaar te bestaan, mits daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de processuele positie van de gedaagde consument. De gedaagde zal daarover pas een goede keuze kunnen maken als hij weet welke procesregels gelden, waaronder de mogelijkheid van verzet of hoger beroep, en wat de kosten zijn van de beide procedures, waarbij ook de kosten en moeite voor een reis naar de plaats van een eventuele mondelinge behandeling een rol kan spelen. Daarom kan de vraag worden gesteld of in dit soort gevallen de eiser voorafgaand aan de arbitrageprocedure het arbitragereglement moet verstrekken aan gedaagde dan wel moet vermelden op welke wijze dat te verkrijgen is, waarbij de vraag kan worden gesteld of volstaan kan worden met verwijzing naar een website en/of een e-mailadres. Ook kan de vraag worden gesteld of eiser gedaagde moet informeren over de kosten van de arbitrale procedure in vergelijking met die van de procedure bij de overheidsrechter en zo ja, mag hij daarbij volstaan met algemene informatie of moet hij de te verwachten kosten in het concrete geval voor beide procedures opgeven? Moet eiser opgeven op welke plaats een eventuele mondelinge behandeling zal plaatsvinden in de arbitrageprocedure en zo ja, moet hij dan ook vermelden waar een eventuele mondelinge behandeling bij de bevoegde overheidsrechter zal plaatsvinden? Moeten ook de mogelijkheden van het instellen van een tegenvordering, verzet en hoger beroep en de daaraan verbonden kosten in beide procedures, alsmede de dan van toepassing zijnde plaats van mondelinge behandeling worden vermeld?
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/059adc5eb8b449f90e20e8e85d54d988ba4f1b69c6354fad8fafb9b8b3f74e78. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 059adc5eb8b449f90e20e8e85d54d988ba4f1b69c6354fad8fafb9b8b3f74e78, en de alinea staat in dat document op bytes 16350 tot 18913.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/059adc5eb8b449f90e20e8e85d54d988ba4f1b69c6354fad8fafb9b8b3f74e78 | shasum -a 256