Citaat | Rechtbank Amsterdam 24 april 2019
Onder 4.2. Rechtbank Amsterdam 24 april 2019
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 24 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2888.
Volgens [eisers] moet bij de uitleg van artikel 6:237i BW rekening worden gehouden met Richtlijn 2014/17/EU van het Europees parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen (hierna: de Richtlijn hypothecair krediet). De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt. Artikel 25, lid 3 van die Richtlijn bepaalt dat de lidstaten kunnen voorschrijven dat de kredietgever in voorkomend geval recht heeft op een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks aan vervroegde aflossing verbonden zijn. Een boete kan niet worden opgelegd en de vergoeding overschrijdt in dit opzicht nooit het door de kredietgever geleden financiële nadeel, aldus deze bepaling. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU volgt dat rechters (vanaf het verstrijken van de omzettingstermijn van een richtlijn) zijn gehouden om hun nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van een richtlijn, ten einde het hiermee beoogde resultaat te bereiken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08fc60155ce7fb56932e2384cbdb7fe1174250fd7f473d32366ee26f909ee320. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08fc60155ce7fb56932e2384cbdb7fe1174250fd7f473d32366ee26f909ee320, en de alinea staat in dat document op bytes 14778 tot 15913.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/08fc60155ce7fb56932e2384cbdb7fe1174250fd7f473d32366ee26f909ee320 | shasum -a 256