Citaat | Rechtbank Amsterdam 24 december 2019

Onder 4.8. Rechtbank Amsterdam 24 december 2019

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 24 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9727.

Het standpunt van [eiser] berust kennelijk (mede) op de gedachtegang dat Deutsche Bank hem € 214.214,52 heeft aangeboden, en zich, maar dat terzijde, op het standpunt stelt dat zij naar analogie van artikel 6:131 BW mag verrekenen met het uitstaande bedrag. Hij kan dit aanbod dan aanvaarden en tegelijk de verrekenbevoegdheid betwisten. Deze gedachtegang vindt geen enkele steun in de brief van 13 oktober 2017, die als gezegd niet anders kan worden begrepen dan dat [eiser] niets krijgt aangeboden. De gedachtegang vindt wel steun in de brief van Deutsche Bank van 6 december 2017 (zie 2.12). Daarin wordt gesproken van een “Compensatie Vordering” van [eiser] en verrekening door de bank door analoge toepassing van artikel 6:131 BW. In de brief van 13 oktober 2017, waarin het aanbod wordt gedaan dat [eiser] zegt te hebben geaccepteerd, wordt evenwel met geen woord gesproken over een vordering van [eiser] op de bank of over analoge toepassing van artikel 6:131 BW. De rechtbank ziet niet – hier is niets over gesteld – hoe het gebruik van deze termen in de latere brief kan leiden tot een andere uitleg van de brief van 13 oktober 2017. Ook is duidelijk dat deze latere brief in geen geval een aanbod tot betaling van € 214.214,52 bevat, dat [eiser] alsnog zou hebben kunnen aanvaarden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac5292e20b5f6a12b4453e6c4c3a00ad4d7f01956b36f3548f8739b5238dee26. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac5292e20b5f6a12b4453e6c4c3a00ad4d7f01956b36f3548f8739b5238dee26, en de alinea staat in dat document op bytes 26898 tot 28250.