Citaat | Rechtbank Amsterdam 1 april 2020

Onder 3.4. Rechtbank Amsterdam 1 april 2020

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 1 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2842.

In het oorspronkelijke, slechts op ‘KEI-zaken’ gerichte wetsvoorstel (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 34 608, nr. 2, p. 3) werd de indiening ter griffie logischerwijs niet als ontvankelijkheidsvereiste genoemd. Met de (indiening van de) procesinleiding is immers ook de indiening ter griffie een feit. Artikel 1018c lid 2 Rv bevatte – en bevat – voor ‘KEI-zaken’ alleen de regel dat (op straffe van niet ontvankelijkheid) binnen twee dagen na indiening van de procesinleiding daarvan aantekening in het centraal register moet worden gemaakt. Deze bepaling is in de Memorie van Toelichting als volgt toegelicht: “Om het doel van een efficiënte en effectieve afwikkeling van collectieve vorderingen te kunnen bereiken is het belangrijk dat elke ingestelde collectieve vordering daadwerkelijk in het centrale register terechtkomt. Alleen zo kan een gecoördineerde afwikkeling worden gewaarborgd en kunnen andere belangenorganisaties daadwerkelijk de kans krijgen voor dezelfde gebeurtenis over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen ook een collectieve vordering in te stellen. Dit rechtvaardigt dat de verplichting van de eiser om binnen twee dagen na indiening van zijn procesinleiding de aantekening in het register te maken, geldt op straffe van niet ontvankelijkheid van eiser in zijn collectieve vordering” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 34 608, nr. 3, p. 38).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df0b7cc2c9c42c4616ff213b796993a98ba2d0e7c73827491ea5ed56b54ab812. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df0b7cc2c9c42c4616ff213b796993a98ba2d0e7c73827491ea5ed56b54ab812, en de alinea staat in dat document op bytes 12823 tot 14284.