Citaat | Rechtbank Amsterdam 1 april 2020

Onder 3.7. Rechtbank Amsterdam 1 april 2020

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 1 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2842.

In de meergenoemde brief van 12 maart 2020 heeft de rechtbank te kennen gegeven dat naar haar voorlopig oordeel de omstandigheid dat de aantekening in het centraal register voor collectieve vorderingen heeft plaatsgevonden vóór de indiening ter griffie niet van invloed is op de datum waarop de in artikel 1018d lid 1 Rv bedoelde termijn begint te lopen. De Stichtingen zeggen zich bij dit oordeel aan te sluiten, maar laten die termijn aanvangen op 11 maart 2020. Dit laatste ten onrechte. Artikel 1018d lid 1 Rv (en overigens ook artikel 1018c lid 3 Rv) laat er geen misverstand over bestaan dat die termijn aanvangt bij de aantekening in het centraal register voor collectieve vorderingen. Deze heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. De omstandigheid dat het exploot van dagvaarding pas op 10 maart 2020 ter griffie is ingekomen, maakt dat niet anders. Het hiervoor onder 3.6 gegeven oordeel komt er immers op neer dat het exploot van dagvaarding (waarmee het geding aanhangig is gemaakt) geacht moet worden tijdig te zijn ingediend (waarmee de Stichtingen ontvankelijk zijn in hun vorderingen). Het is in deze stand dat de behandeling van de zaak na ommekomst van de in artikel 1018d Rv bedoelde termijn wordt voortgezet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df0b7cc2c9c42c4616ff213b796993a98ba2d0e7c73827491ea5ed56b54ab812. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df0b7cc2c9c42c4616ff213b796993a98ba2d0e7c73827491ea5ed56b54ab812, en de alinea staat in dat document op bytes 16820 tot 18063.