Citaat | Rechtbank Amsterdam 22 juli 2020
Onder 6.2 Rechtbank Amsterdam 22 juli 2020
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 22 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3534.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de gemachtigde van verweerder er terecht op gewezen dat de situatie van het gezin uit de uitspraak van de Hoge Raad een andere is dan die van verzoekster. Dat gezin was uitgeprocedeerd en had geen verblijfsrecht meer en kon dan ook geen aanspraak maken op sociale voorzieningen. Verzoekster en haar gezin hebben hier een verblijfsrecht. Zij en haar echtgenoot mogen hier werken en kunnen aanspraak maken op sociale voorzieningen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat uit artikel 8 van het EVRM geen verplichting voortvloeit om verzoekster en haar kinderen – ondanks dat zij niet voldoen aan de in de Wmo 2015 gestelde voorwaarden – toch toe te laten tot de maatschappelijke opvang dan wel van woonruimte te voorzien. Daarbij is van belang dat verzoekster, zoals is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich niet op eigen kracht kan handhaven in Nederland. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich hierbij voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de kinderen van verzoekster. Het beroep op artikel 3 van het IVRK slaagt daarom ook niet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be0e6cb1726b743d77495d853c0edf2a30310e587813673a31bc68949a7ca59e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be0e6cb1726b743d77495d853c0edf2a30310e587813673a31bc68949a7ca59e, en de alinea staat in dat document op bytes 16259 tot 17459.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/be0e6cb1726b743d77495d853c0edf2a30310e587813673a31bc68949a7ca59e | shasum -a 256