Citaat | Rechtbank Amsterdam 10 november 2020

Onder 6.4. Rechtbank Amsterdam 10 november 2020

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 10 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5465.

Verweerder heeft zich bij het onderzoek voldoende rekenschap gegeven van de specifieke branche waarin animatiemedewerkers zich bevinden. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat ook voor deze branche de verplichting geldt om de bepalingen van de Wml na te leven. De stelling dat voor zestien medewerkers geen overtreding is vastgesteld volgt de rechtbank niet. Uit de afgelegde verklaringen volgt dat de werknemers doorgaans meer uren werkten dan de contractueel overeengekomen 5,33 uur per dag en naar aanleiding daarvan heeft verweerder nader onderzoek gedaan. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, is de vordering dan ook niet gedaan louter op basis van de twaalf nadere verklaringen van de werknemers, maar in samenhang met de andere verrichte onderzoeksactiviteiten, zoals het oriënterend en administratief onderzoek en de daarop volgende nadere onderzoeken waaronder het horen van de wettelijk vertegenwoordiger van eiseres. De rechtbank ziet verder in de door eiseres en [VoF] naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding om aan te nemen dat de afgelegde verklaringen van de werknemers onder ontoelaatbare druk van de inspecteurs tot stand is gekomen en niet uit vrije wil zouden zijn afgelegd. De rechtbank kan dit niet afleiden uit de op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte verhoorformulieren en stelt vast dat uitgebreid antwoord is gegeven op de gestelde vragen. De door [VoF] overgelegde en achteraf opgestelde verklaringen van mevrouw [naam 4] , mevrouw [naam 5] , mevrouw [naam 6] en de heer [naam 7] vormen onvoldoende aanleiding om de afgelegde verklaringen buiten beschouwing te laten. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is niet gebleken van een overtuigende reden waarom de achteraf afgelegde afwijkende verklaringen als juist moeten worden aanvaard. Daarbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat uit het dossier blijkt dat [VoF] heeft geprobeerd om invloed uit te oefenen op de verklaringen van de werknemers. Het betoog van eiseres en [VoF] dat er geen hoor- en wederhoor is toegepast, volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek zich richt tot eiseres als juridisch werkgever en dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze te geven op de resultaten van verweerders onderzoek. Zo is de wettelijk vertegenwoordiger van eiseres op 11 oktober 2018 in persoon gehoord, heeft eiseres de gelegenheid gekregen om in de bestuurlijke fase haar zienswijze te geven op het voornemen van verweerder om een bestuurlijke boete op te leggen en is de wettelijk vertegenwoordiger verschenen op de hoorzitting in bezwaar om het bezwaarschrift toe te lichten. Omdat het onderzoek zich niet richt tot [VoF] , heeft verweerder ten aanzien van haar geen hoor- en wederhoor hoeven toepassen dan wel een cautie hoeven geven. Overigens is [VoF] wel in de gelegenheid gesteld om op de hoorzitting haar zienswijze te geven op de onderzoeksbevindingen. Verweerder kon gelet op de voorgaande onderzoeksbevindingen - met name de verklaringen van de werknemers en het horen van de wettelijk vertegenwoordiger van eiseres - in redelijkheid vermoeden dat sprake was van onderbetaling. Dit was voor verweerder voldoende reden voor het doen van nader onderzoek en om van zijn bevoegdheid gebruik te maken om van de werkgever bescheiden te vorderen waaruit het daadwerkelijk aantal gewerkte uren blijkt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d10be6df852d1ed8a1204cff2f0ac78c331101f6c9b7bbd4d69ab38aab6a80fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d10be6df852d1ed8a1204cff2f0ac78c331101f6c9b7bbd4d69ab38aab6a80fd, en de alinea staat in dat document op bytes 18569 tot 21943.