Citaat | Rechtbank Amsterdam 11 november 2020
Onder 5.1. Rechtbank Amsterdam 11 november 2020
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 11 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5478.
Het gaat hier om een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening binnen het kader van een bodemprocedure als bedoeld in artikel 223 Rv. De voorziening geldt slechts voor de duur van het geding, dat wil zeggen tot het moment waarop einduitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan. Als minimumvereiste voor toewijzing van een dergelijke vordering geldt allereerst dus dat deze zich moet lenen om als voorlopige voorziening te worden gegeven. Daarnaast moet de betreffende vordering samenhangen met de hoofdvordering. Ook is vereist dat de eiser voldoende belang heeft bij zijn incidentele vordering voor de duur van de bodemprocedure. Dat belang moet dringend zijn, in die zin dat van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht. De rechter dient vervolgens, net als in kort geding, de belangen tussen partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9e2ab434908b67e1d2b3888f51ad50f62dd3a52c4b26017c8896a7eff5d5951. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9e2ab434908b67e1d2b3888f51ad50f62dd3a52c4b26017c8896a7eff5d5951, en de alinea staat in dat document op bytes 18373 tot 19368.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f9e2ab434908b67e1d2b3888f51ad50f62dd3a52c4b26017c8896a7eff5d5951 | shasum -a 256