Citaat | Rechtbank Amsterdam 5 februari 2020

Onder 5.20. Rechtbank Amsterdam 5 februari 2020

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 5 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:555.

Als in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van één van de gedaagden rechtsmacht heeft, komt hem op grond van artikel 7, eerste lid, Rv ook rechtsmacht toe ten aanzien van de andere gedaagden, mits tussen de vorderingen een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Deze bepaling is in belangrijke mate ontleend aan de voorlopers van artikel 8, aanhef en eerste lid, Brussel I bis -Verordening. Er moet mede gelet hierop worden beoordeeld of tussen de vorderingen een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen worden gegeven. Beslissingen kunnen niet onverenigbaar worden geacht op de enkele grond van een verschil in de beslechting van de geschillen. Daartoe is vereist dat dit verschil zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4ba61ae3bf96af3ff79308dce7613554bc4b19bb58720e213ac3975662829f17. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4ba61ae3bf96af3ff79308dce7613554bc4b19bb58720e213ac3975662829f17, en de alinea staat in dat document op bytes 61094 tot 62212.