Citaat | Rechtbank Amsterdam 21 december 2020

Alinea 85 Rechtbank Amsterdam 21 december 2020

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 21 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6481.

25. De kantonrechter merkt op dat in kantonzaken het bekendmaken van het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen in veel gevallen tot intrekking van de vordering leidt. Dat heeft tot gevolg dat de voorgenomen vragen niet gesteld kunnen worden, waardoor het doel van de prejudiciële procedure niet kan worden bereikt. De kantonrechter zal eisende partij daarom niet voorafgaand aan het stellen van de vragen in de gelegenheid stellen om zich daarover bij akte uit te laten. De vragen zullen nu al gesteld worden. De Hoge Raad heeft dan op grond van artikel 393 lid 9 Rv de bevoegdheid de vragen ook te beantwoorden als eisende partij haar vordering intrekt. Wel zal eisende partij alsnog in de gelegenheid worden gesteld op de geformuleerde prejudiciële vragen te reageren, hetgeen tot wijziging of intrekking van bepaalde vragen kan leiden. Op deze wijze wordt aan de ratio van artikel 393 lid 2 Rv voldaan. De Hoge Raad wordt verzocht de vragen niet eerder in behandeling te nemen dan nadat de kantonrechter heeft laten weten dat deze ongewijzigd zijn, dan wel dat deze gewijzigd zijn naar aanleiding van de opmerkingen van eisende partij, dan wel dat bepaalde vragen worden ingetrokken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08e5b7ac207ea160f5befcd0bea41a4d171cc0b7be47931a58d8d10c52b6c1ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08e5b7ac207ea160f5befcd0bea41a4d171cc0b7be47931a58d8d10c52b6c1ba, en de alinea staat in dat document op bytes 30737 tot 31964.