Citaat | Rechtbank Amsterdam 9 februari 2021

Onder 4.1. Rechtbank Amsterdam 9 februari 2021

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 9 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:405.

Hoist heeft allereerst bepleit dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat hij niet binnen een termijn van zes weken na de afwijzende beslissing(en) op zijn verwijderingsverzoeken een kort geding aanhangig heeft gemaakt, noch de primair geëigende weg heeft bewandeld, namelijk het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank op grond van artikel 35 UAVG (Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensverwerking). Hoist beroept zich in dit verband op de AVG (Algemene Verordening Gegevensverwerking), waarbij in artikel 21 de mogelijkheid is opgenomen om bij de verwerkingsverantwoordelijke (hier: Hoist) bezwaar te maken tegen die verwerking. Als dat bezwaar wordt afgewezen kan de belanghebbende (hier: [eiser] ) zich op grond van artikel 35 van de UAVG, tot de rechtbank wenden met het verzoek de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het verwijderingsverzoek alsnog toe te wijzen. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verwerkingsverantwoordelijke. Overigens geldt geen termijn indien de verwerkingsverantwoordelijke niet binnen een maand had geantwoord, maar die uitzondering doet zich hier niet voor. Dit alles geldt ook in kort geding (Hof Amsterdam 5-11-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3966).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b1c2c8a858bd8acd5b0576650e99417bc1ff38b0cf2d6f9e148fb0db3392ece0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b1c2c8a858bd8acd5b0576650e99417bc1ff38b0cf2d6f9e148fb0db3392ece0, en de alinea staat in dat document op bytes 18243 tot 19531.