Citaat | Rechtbank Amsterdam 9 februari 2021
Onder 4.5. Rechtbank Amsterdam 9 februari 2021
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 9 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:405.
In de rechtspraak is tot dusver (bijvoorbeeld door de gerechtshoven Den Haag [ECLI:NL:GHDHA:2020:2068], Arnhem-Leeuwarden [ECLI:NL:GHARL:2020:10564], Den Bosch [ECLI:NL:GHSHE:2020:2536] en Amsterdam [ECLI:NL:GHAMS:2019:3966]) verschillend geoordeeld over de vraag of een concrete kredietregistratie van de BKR moet worden beschouwd als noodzakelijk ter voldoening aan een wettelijke verplichting als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder c AVG en/of dat deze valt onder het bepaalde onder lid 1 onder f van dit artikel. Dit is van belang voor de vraag of binnen een termijn van zes weken een verzoekschrift bij de rechtbank moet worden ingediend en daarmee ook voor de vraag naar de ontvankelijkheid in kort geding. Hierover heeft de voorzieningenrechter Amsterdam prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad bij tussenvonnis van 21 januari 2021 [ECLI:NL:RBAMS:2021:174].
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b1c2c8a858bd8acd5b0576650e99417bc1ff38b0cf2d6f9e148fb0db3392ece0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b1c2c8a858bd8acd5b0576650e99417bc1ff38b0cf2d6f9e148fb0db3392ece0, en de alinea staat in dat document op bytes 23847 tot 24729.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b1c2c8a858bd8acd5b0576650e99417bc1ff38b0cf2d6f9e148fb0db3392ece0 | shasum -a 256