Citaat | Rechtbank Amsterdam 9 februari 2021
Onder 4.6. Rechtbank Amsterdam 9 februari 2021
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 9 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:405.
Het gerechtshof Den Haag heeft op 8 september 2020 (herhaald op 10 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2068) geoordeeld dat artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG in elk geval een grondslag opleverde voor de BKR-registratie. Volgens dit hof is niet aannemelijk dat de registratie daarnaast noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke plicht van de deelnemende bank. Er bestaat volgens het hof een wettelijke plicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie, maar niet om een concrete registratie te verrichten in een individueel geval, noch om gegevens van de betrokkene in het systeem van de BKR te handhaven. Daarom valt de registratie volgens dit hof niet tevens onder artikel 6 lid 1 aanhef en onder c AVG. Dit betekent dat de verzoeker recht van bezwaar heeft op de voet van artikel 21 lid 1 AVG, maar ook dat hij bij afwijzing van dat bezwaar tijdig, binnen zes weken na de beslissing op het bezwaar, de zaak aanhangig dient te maken bij de burgerlijke rechter.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b1c2c8a858bd8acd5b0576650e99417bc1ff38b0cf2d6f9e148fb0db3392ece0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b1c2c8a858bd8acd5b0576650e99417bc1ff38b0cf2d6f9e148fb0db3392ece0, en de alinea staat in dat document op bytes 24814 tot 25811.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b1c2c8a858bd8acd5b0576650e99417bc1ff38b0cf2d6f9e148fb0db3392ece0 | shasum -a 256