Citaat | Rechtbank Amsterdam 11 januari 2024

Alinea 189 Rechtbank Amsterdam 11 januari 2024

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 11 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:131.

52. Wat dat betreft moet worden vastgesteld dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het aan die nationale rechter staat om, gelet op het beginsel van voorrang van het Unierecht, de rechtspraak van een hogere rechter zoals in het hoofdgeding, die hem verbiedt om in het kader van een betalingsbevel de door de betrokken debiteur op grond van oneerlijk geachte bedingen betaalde bedragen ambtshalve te verrekenen met het verschuldigde saldo uit hoofde van de betrokken consumentenkredietovereenkomst, buiten toepassing te laten indien die rechtspraak in dat geval onverenigbaar zou zijn met het Unierecht (zie in die zin arrest van 21 december 2016, [partij] e.a., C154/15, C307/15 en C308/15, EU:C:2016:980, punt 74).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/60bafac3f5c7252db312b75ba365d978ebc4342011cf34063852d260e73ec699. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 60bafac3f5c7252db312b75ba365d978ebc4342011cf34063852d260e73ec699, en de alinea staat in dat document op bytes 52932 tot 53667.