Citaat | Rechtbank Amsterdam 9 juni 2026

Onder 6.2. Rechtbank Amsterdam 9 juni 2026

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 9 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6299.

De rechtbank merkt hierbij op dat zij geen gebruik zal maken van de in artikel 1018l Rv geregelde bevoegdheid om als summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken, de salarissen van de advocaat van de wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij maximaal te vervijfvoudigen. De belangrijkste vraag in dit geding was immers de vraag of en in welke mate immateriële schade van de benadeelden in groep A voor vergoeding in aanmerking zou komen. Dit was een vraag die ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet zodanig duidelijk was dat toen al de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering duidelijk kon zijn. De in het eerste tussenvonnis in de randnummers 5.20.8-5.20.17 genoemde rechtspraak van het HvJ EU dateert van na de datum van de dagvaarding.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45fda67c672301f11710988df7479634f1ce0fc848865bc86c3729f30c4a8182. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45fda67c672301f11710988df7479634f1ce0fc848865bc86c3729f30c4a8182, en de alinea staat in dat document op bytes 32361 tot 33242.