Citaat | Rechtbank Arnhem 20 augustus 2003

Alinea 87 Rechtbank Arnhem 20 augustus 2003

Een alinea uit Rechtbank Arnhem 20 augustus 2003, ECLI:NL:RBARN:2003:AL2040.

9. Eerst zal worden bezien of het Ziekenhuis – of haar eventuele vertegenwoordiger (zie HR 13 december 2002, NJ 2003, 212) – door een daad van erkenning stuiting van de verjaring heeft bewerkstelligd. Aangezien de in verband hiermee te beoordelen handelingen en gedragingen voornamelijk (zo niet alle) door MediRisk zijn verricht zal voorafgaand daaraan moeten worden beoordeeld of X MediRisk ten tijde daarvan als de vertegenwoordiger van het Ziekenhuis mocht beschouwen. De rechtbank stelt vast dat het Ziekenhuis in zijn brief van 18 augustus 1994 heeft geschreven dat de aansprakelijkstelling aan MediRisk was doorgezonden en voorts dat MediRisk ongetwijfeld binnenkort contact met (de advocaat van) X zou opnemen. Daaruit heeft X in redelijkheid mogen afleiden dat het doel van dat contact de afwikkeling van de aansprakelijkstelling namens het Ziekenhuis zou betreffen en dat in zoverre MediRisk als vertegenwoordiger van het Ziekenhuis mocht worden aangemerkt. Dit geldt temeer waar vervolgens MediRisk, met uitsluiting van het Ziekenhuis en zonder enig voorbehoud omtrent haar bevoegdheid om namens het Ziekenhuis op te treden, het verdere contact met (de advocaat van) X heeft onderhouden en daarin prompt (zie de onder 1.7 genoemde brief) aansprakelijkheid heeft erkend en naar de omvang van de schade heeft geïnformeerd, terwijl het Ziekenhuis op geen enkel moment tegenover X heeft duidelijk gemaakt dat in het kader van de afwikkeling van de aansprakelijkheid geen (bindende) afspraken met MediRisk konden worden gemaakt. Dit kan tot geen andere conclusie leiden dan dat het Ziekenhuis door zowel een toedoen (de brief van 18 augustus 1994) als door een niet-doen/nalaten (het niet ná de brief van 18 augustus 1994 verduidelijken dat bij de afwikkeling van de aansprakelijkheid geen bindende afspraken met MediRisk konden worden gemaakt) de schijn heeft gewekt dat MediRisk bevoegd was om de afwikkeling van de aansprakelijkheid ter hand te nemen en dat X daaraan niet hoefde te twijfelen. De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan óók door een niet-doen/nalaten worden gewekt (HR 12 januari 2001, NJ 2001, 157). In het kader van de schadeafwikkeling door MediRisk verrichte handelingen en gedragingen kunnen dus aan het Ziekenhuis worden toegerekend en eventueel de verjaring hebben gestuit.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2b4f7dc7b2b3c0c9a8a26dc7cdb2eef9e1b0aaa664de5de1072f4e6a701b202a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2b4f7dc7b2b3c0c9a8a26dc7cdb2eef9e1b0aaa664de5de1072f4e6a701b202a, en de alinea staat in dat document op bytes 22988 tot 25322.